Rb. 's-Gravenhage 30 augustus 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7101
Bekendmaking besluit / toezending aan gemachtigde. Eiser, een Surinamer, heeft bij brief van zijn toenmalige gemachtigde een aanvraag voor een vtv bij Nederlandse partner ingediend. In deze brief is onder meer gesteld dat eiser woonplaats kiest ten kantore van de gemachtigde. Verweerder heeft het besluit in primo op 7 april 1999 aangetekend verzonden naar het huisadres van eiser. Deze beschikking is niet (tevens) naar de toenmalige gemachtigde van eiser gezonden. Op 14 juni 1999 is alsnog de beschikking naar eisers huidige gemachtigde verzonden, waarna deze bezwaar heeft ingesteld. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Immers, in artikel 2:1, eerste lid, Awb is bepaald dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen kan laten bijstaan of door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen. De rechtbank wijst voorts op de MvT bij artikel 2:1 Awb, meer in het bijzonder op de volgende passage: ".. De kern van vertegenwoordiging is dat handelingen van de vertegenwoordiger aan de vertegenwoordigde worden toegerekend.“ Voorts strekken de woorden "in het verkeer met bestuursorganen“ er blijkens de toelichting toe dat het recht op bijstand of vertegenwoordiging in beginsel bestaat in alle fasen van het bestuursproces waarin contacten door burgers met bestuursorganen worden onderhouden. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de wetgever voor ogen heeft gehad, dat, tenzij anders is bepaald, toezending of uitreiking aan een gemachtigde geldt als bekendmaking van de gemachtigde. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de termijn waarbinnen eiser bezwaar kon instellen tegen het besluit in primo is aangevangen op 15 juni 1999, de dag nadat het besluit aan de gemachtigde van eiser is toegezonden. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl