Rb. 's-Gravenhage 10 september 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6807
Bewaring / staandehouding / spoorwegpolitie. Ter zitting heeft de gemachtigde van de vreemdeling allereerst de vraag opgeworpen of de staande houding op grond van artikel 50 van de Vw 2000 heeft plaatsgevonden door een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen. Daarbij is er op gewezen dat deze staandehouding heeft plaatsgevonden door een surveillant van de spoorwegpolitie te Rotterdam. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de bevoegdheid van voormelde surveillant om de vreemdeling staande te houden. Op grond van artikel 47, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 zijn onder meer belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993. In artikel 3, eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993 is bepaald dat als ambtenaar van politie wordt aangemerkt de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. In artikel 38 van de Politiewet 1993 is bepaald dat het KLPD, onverminderd de taakuitvoering van regionale politiekorpsen, is belast met de landelijke en specialistische uitvoering van politietaken. Gelet daarop valt niet in te zien dat een surveillant van de KLPD niet belast is met de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993. Niet is gesteld, en evenmin is gebleken, dat een surveillant bij de KLPD, Divisie Spoorwegpolitie, belast zou zijn met slechts een beperkt deel van de politietaak. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat de staandehouding op grond van artikel 50 van de Vw 2000 niet rechtmatig moet worden geacht omdat de daaraan voorafgaande strafrechtelijke staandehouding discriminatoir is geweest en niet was gebaseerd op een redelijk vermoeden van schuld. Verweerder heeft betoogd dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is te oordelen over de al dan niet rechtmatigheid van de aanwending van de strafvorderlijke bevoegdheid tot staandehouding van een verdachte, als bedoeld in artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2001, kenmerk 200103415. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 50, eerste lid, Vw 2000 blijkt dat het criterium voor staandehouding van artikel 50, eerste lid, Vw 2000, in vergelijking met het criterium van artikel 19, eerste lid, van de Vw, een zekere verruiming behelst. Laatstgenoemde bepaling vereiste voor staandehouding 'concrete aanwijzingen over illegaal verblijf'. De wetgever heeft met eerstgenoemde bepaling bedoeld een meer actief vreemdelingentoezicht mogelijk te maken. Met de zinsnede 'op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten' in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, is beoogd om evenwel ook onder de Vw 2000 voldoende waarborgen te bieden voor een non-discriminatoir gebruik van deze toezichtsbevoegdheid. Deze waarborg tegen doorwerking van discriminatoire staandehoudingen in strafvorderlijk kader vormt een vast onderdeel in de jurisprudentie van de vreemdelingenkamers. De enkele verwijzing van verweerder naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 27 juli 2001 acht de rechtbank niet toereikend om met voormelde vaste jurisprudentie te breken. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl