Rb. 's-Gravenhage 21 augustus 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6752
Bewaring / uitzetting / ophouding ex artikel 50 lid 3 Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat in een geval als het onderhavige waarin de feitelijke uitzetting kan worden gerealiseerd op dezelfde dag als die waarop de vreemdeling is opgeroepen om te worden gehoord, het belang dat de vrijheidsontneming niet langer duurt dan strikt noodzakelijk is, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, prevaleert boven het belang van de vreemdeling om inzake zijn beroep strekkende tot opheffing van de vrijheidsontneming te worden gehoord. Van zeer bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank in het onderhavige geval niet gebleken. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken van aan de maatregel voorafgaande feiten en omstandigheden (bijvoorbeeld in het strafrechtelijk voortraject) die zo zwaarwegend zijn dat verweerder niet tot de daarop volgende maatregel had kunnen komen zonder in strijd te handelen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast. In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 20 juli 2001 (nr. 200102749/1) is overwogen dat artikel 50, derde lid, Vw 2000 niet zover strekt dat tijdens de ophouding steeds een uitsluitend daarop betrekking hebbend afzonderlijk verhoor dient plaats te vinden. Evenmin strekt artikel 4.18, eerste lid, Vb zover dat de vreemdeling ook indien een dergelijk verhoor niet plaatsvindt, gewezen dient te worden op de bevoegdheid als bedoeld in die bepaling. Zodanig afzonderlijk verhoor zal met name achterwege gelaten kunnen worden ingevallen waarin identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie reeds vaststaan en waarin de vreemdeling ter onmiddellijke voorbereiding op de inbewaringstelling en het daaraan voorafgaande gehoor wordt overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar gedurende een beperkte tijd wordt opgehouden. Die situatie doet zich hier voor. Vaststaat dat de vreemdelinge voorafgaande aan het gehoor gewezen is op haar recht op rechtsbijstand en dat zij daarvan geen gebruik wilde maken. Nu bedoeld verhoor niet ten onrechte achterwege is gebleven, is evenmin sprake van schending van artikel 4.18, eerste lid, Vb 2000.
De uitspraak op rechtspraak.nl