Rb. 's-Gravenhage 31 juli 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6743
AC-procedure / procesbeslissing. De beslissing van verweerder de asielaanvraag in het AC af te doen (de zogenaamde procesbeslissing) is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb of van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Het gaat hier om een beslissing van verweerder een bepaalde procedure te volgen (de AC-procedure dan wel de zogenaamde OC-procedure). De rechtsgevolgen voor de aanvrager van de verblijfsvergunning openbaren zich door het nemen van een besluit op de aanvraag en niet in het toepassen van de ene of de andere procedure. Anders gezegd: het betreft hier een beslissing die uitsluitend interne werking heeft voor het bestuursorgaan. De omstandigheid dat verzoeker als gevolg van de door verweerder genomen procesbeslissing geen aanspraak meer heeft op de in artikel 3.111, eerste lid, Vb 2000 voorgeschreven wachttijd van zes dagen is een consequentie die uit de wet voortvloeit. De procesbeslissing is echter niet met dat doel voor ogen genomen. Indien de procesbeslissing wel als besluit zou moeten worden aangemerkt, zouden ter zake de bepalingen over bezwaar en beroep in de Awb van toepassing zijn. Verzoeker zou tegen de procesbeslissing bezwaar moeten maken op de voet van artikel 7:1 Awb. De procesbeslissing is immers niet aan te merken als een besluit omtrent de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 zodat artikel 80 van deze wet inhoudende dat artikel 7:1 Awb niet van toepassing is, alsdan niet geldt. Dat zou erop neerkomen dat de procesbeslissing in dit stadium niet aan het oordeel van de president is te onderwerpen. Bij dit alles zij aangetekend dat de belangen van verzoeker door dit oordeel niet worden aangetast. Verzoeker kan immers in het kader van het instellen van beroep tegen de afwijzende beschikking de vraag aan de orde stellen of de AC-procedure wel op zorgvuldige wijze tot de beslissing van verweerder heeft kunnen leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl