Rb. 's-Gravenhage 10 juli 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6703
AC-procedure / procesbeslissing De zogenoemde procesbeslissing zoals bedoeld in hoofdstuk C3/12.8 Vc 2000 is niet aan te merken als een loutere voorbereidingsbeslissing als bedoeld in artikel 6:3 Awb. Met name wordt gewezen op artikel 3.112, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000, ingevolge welke bepaling verzoekster als gevolg van de procesbeslissing geen aanspraak meer had op de ingevolge artikel 3.111, eerste lid 1, Vb 2000 voorgeschreven wachttijd van zes dagen. Uit het procesdossier blijkt niet eenduidig op grond waarvan de beslissing is genomen dat de aanvraag van verzoekster van dien aard was dat gekozen kon worden voor het vervolgen van de procedure in het AC. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat uitdrukkelijk niet is gekozen voor een inhoudelijk criterium, maar dat van doorslaggevend belang is geacht of zorgvuldig onderzoek binnen de daarvoor in het kader van de AC-procedure geldende termijn(en) mogelijk zou zijn. De keuze voor de procesbeslissing mocht in het onderhavige geval niet worden genomen, tenzij uit de in de eerste fase verkregen onderzoeksresultaten concrete aanknopingspunten naar voren waren gekomen voor het vermoeden dat de door verzoekster in het eerste gehoor afgelegde verklaringen ten aanzien van haar identiteit, nationaliteit en/of reisroute als niet-geloofwaardig mochten worden bestempeld, dan wel dat zij aan de vaststelling daarvan niet had meegewerkt en die concrete aanwijzingen kenbaar en gemotiveerd uit de genomen procesbeslissing zijn gebleken. Een andere lezing van hoofdstuk C3/12.8 Vc 2000 doet zowel onvoldoende recht aan de geformuleerde beleidsregels, alsook aan het bijzondere - en uitzonderlijke - karakter van de AC-procedure. De in de Vc 2000 voor gevallen als de onderhavige neergelegde regeling is derhalve niet op kenbare en gemotiveerde wijze nageleefd. Het is niet ondenkbaar dat achteraf blijkt dat de te stellen eisen van zorgvuldigheid door de keuze voor de afdoening via de AC-procedure niet zijn geschonden en/of dat de aanvrager door die wijze van afdoening niet in zijn belangen is geschaad. In die gevallen is echter niettemin sprake van een, hoewel mogelijk reparabel aan de besluitvorming in het AC-traject klevend gebrek. Uit het geheel van de door verzoekster, die heeft gesteld afkomstig te zijn uit de DRC, afgelegde verklaringen volgt noch dat haar bij het eerste gehoor omtrent haar identiteit, nationaliteit en/of reisroute afgelegde verklaringen op voorhand zonder meer als niet-geloofwaardig konden worden aangemerkt, noch ook dat de nadien verkregen onderzoeksresultaten het vastgestelde gebrek in het besluitvormingstraject kunnen helen. Daartoe wordt vooropgesteld dat de tijdens het nader gehoor naar voren gekomen bijzonderheden met betrekking tot de lotgevallen van verzoekster in de periode augustus 1998 tot juni 2001, mede gelet op TBV 2000/2, op zichzelf al aanleiding hadden dienen te zijn verzoekster voor de verdere behandeling van haar asielaanvraag naar een Opvangcentrum (OC) te verwijzen. Verweerder had ten minste moeite moeten doen te achterhalen of wijlen de echtgenoot van verzoekster inderdaad secretaris van de voormalige Congolese minister van Buitenlandse Zaken is geweest. Van zodanig onderzoek is niet gebleken. Evenmin is gebleken van enige aandacht voor de opvatting van de UNHCR over de positie van naar de DRC terug te sturen (alleenstaande) vrouwen. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl