Rb. 's-Gravenhage 6 september 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6517
Bewaring / staandehouding / binnentreden. De staandehouding heeft plaatsgevonden in een perceel in Amsterdam dat dienst doet als doorgangshuis voor illegalen. De stelling van verweerder dat de in het pand aanwezige vreemdelingen niet kunnen worden aangemerkt als bewoners in de zin van artikel 12 Grondwet en de Awbi volgt de rechtbank, gelet op de inhoud van de processen-verbaal en de memorie van toelichting bij de Awbi, niet. Uit genoemde processen-verbaal kan voorts worden afgeleid dat eerst ná binnentreding in het betreffende pand is overgegaan tot legitimatie en bekendmaking van het doel van het onderzoek en niet, zoals artikel 1, eerste lid, Awbi vereist, voorafgaand aan de binnentreding. Uit het open laten staan van de deur door een bewoner, gevolgd door zijn vertrek, volgt niet een voor de ambtenaar kenbare uiting van zijn wil om de politie toe te laten. De stelling van verweerder dat, indien al zou moeten worden aangenomen dat bepaalde voorschriften uit de Awbi zijn geschonden, de vreemdeling door die schending niet in zijn belangen is geschaad, nu de binnentredende (politie)ambtenaren een machtiging tot binnentreden in hun bezit hadden en in die zin de binnentreding wel rechtmatig was, volgt de rechtbank, gelet op het bepaalde in de artikelen 10 en 11 Awbi, evenmin. Op de binnentreding gevolgde staandehouding en daarop gevolgde inbewaringstelling derhalve evenzeer onrechtmatig. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl