Rb. 's-Gravenhage 25 juli 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6165

Bewaring / mandaat hulpofficier van Justitie. Blijkens artikel 5:3 VV 2000 heeft de minister van Justitie zijn bevoegdheid tot inbewaringstelling rechtstreeks gemandateerd aan de politieambtenaar, die tevens hulpofficier van Justitie is. Ingevolge artikel 10:4 Awb is bij mandatering aan een niet-ondergeschikte regeling van de bevoegdheid tot mandaatverlening in een wettelijk voorschrift vereist of, bij gebreke daarvan, instemming met de mandaatverlening van de gemandateerde en degene onder wiens verantwoordelijkheid deze werkt. De vraag is of de hulpofficier van Justitie ondergeschikt is aan de minister van Justitie. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De hulpofficier is niet in dienst van de minister, zodat er van ondergeschiktheid in die zin geen sprake is. Voorts is weliswaar gebleken van een bevoegdheid van de minister (op grond van artikel 48 Vw 2000) tot het geven van bijzondere aanwijzingen aan de hulpofficier, maar niet van een bevoegdheid tot het geven van algemene aanwijzingen, hetgeen voor het aannemen van ondergeschiktheid volgens de memorie van toelichting op artikel 10:4 Awb wel noodzakelijk is. Voor artikel 5.3 VV 2000 ontbreekt een wettelijke grondslag in de Vw 2000 en het Vb 2000, zodat dit artikel niet als wettelijk voorschrift in de zin van artikel 10:4, tweede lid, Awb kan fungeren. De rechtbank is echter van oordeel dat aan het instemmingsvereiste van artikel 10:4, eerste lid, Awb is voldaan. Uit de inbewaringstelling door de hulpofficier van Justitie kan worden afgeleid dat deze instemt met de mandaatverlening. Ook gaat de rechtbank uit van instemming van de korpschef, nu inbewaringstelling door de hulpofficier van Justitie bestendige praktijk is, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de korpschef van de mandaatverlening op de hoogte is en daartegen geen bezwaar heeft. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen