Rb. 's-Gravenhage 25 november 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6143
AMV / manifest bedrog. De president kan de stelling van verweerder dat het AMA-beleid zoals neergelegd in hoofdstuk B7/13 Vc-1994 op verzoeker, een Sri Lankaanse asielzoeker, niet van toepassing is vanwege manifest bedrog, niet volgen. In het betreffende hoofdstuk in de Vc-1994 is hieromtrent niets opgenomen. Ook in de toepasselijke nieuwe wet- en regelgeving is dit niet als contra-indicatie opgenomen. Immers, artikel 16 Vw 2000 stelt daaromtrent niets, evenmin als artikel 3.77 Vb 2000. Artikel 3.78 Vb 2000 vermeldt dat buiten de gronden genoemd in artikel 3.77 Vb 2000 een aanvraag slechts kan worden afgewezen indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van de minister daartoe nopen. Omtrent dergelijke zwaarwegende belangen is in de beslissing in primo niets opgenomen. Voorts stelt de president vast dat zich in dit geval geen situatie voordoet op grond waarvan wegens manifest bedrog volstrekt onduidelijk is uit welk land verzoeker afkomstig is. Het amv-beleid is nu juist bedoeld voor minderjarigen die alleen het land binnenkomen en om asiel hebben verzocht, doch van wie is vastgesteld dat zij niet in aanmerking komen voor toelating als vluchteling. Van oorsprong is het amv-beleid bedoeld als een jeugdmaatregel ter bescherming van de kwetsbare positie van minderjarigen en beoordeeld dient te worden of louter de uitzetting in dat kader verantwoord is te achten. In de beslissing in primo is hieraan, terwijl niet onbekend was uit welk land verzoeker afkomstig is, geen aandacht besteed. Toewijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl