Rb. 's-Gravenhage 5 juni 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5942
SAMENVATTING Bewaring / vrijheidsbeneming. De vreemdeling heeft zich beroepen op het Beleidsplan Aanmeldcentra 1994. Wat hier ook van zij, een specifieke, op papier gestelde uitwerking van de wijze waarop verweerder na 1 april 2001 gebruik wil maken van de bevoegdheid tot vrijheidsbeneming van asielzoekers, nadat in een zogenaamd land-AC hun verzoek om toelating is afgewezen, is er niet. Sinds 1 april 2001 worden kennelijk stelselmatig nagenoeg alle vreemdelingen die lijken te voldoen aan het criterium genoemd in artikel 59, tweede lid, Vw 2000 na afronden van de AC-procedure in een land-AC in bewaring gesteld. Aan de nevenzittingsplaats Zwolle van deze rechtbank heeft verweerder op 1 mei 2001 laten weten dat in de situatie dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij Nederland zal verlaten, niet in bewaring zal worden gesteld. Uit verweerders op de parlementaire geschiedenis rond artikel 59, tweede lid, Vw 2000 gestoelde benaderingswijze volgt dat een expliciete, bijzondere afweging moet worden gemaakt in geval van toepassing van bedoeld artikel. Uit de stukken in het onderhavige geval komt niet naar voren dat er een afweging heeft plaatsgevonden tussen het belang van de vreemdeling niet van zijn vrijheid te worden beroofd en het belang van verweerder dat de vreemdeling zich niet aan zijn uitzetting zal onttrekken. Om deze reden kan de inbewaringstelling reeds geen stand houden. Daarnaast is ter zitting door de vreemdeling nogmaals bevestigd dat hij Nederland aanstonds zal verlaten, indien hij onverhoopt in beroep, c.q. in de tijdig tijdens het zogenaamde vovo-uurtje ingediende voorlopige voorziening, tegen de afwijzende beschikking op zijn verzoek om asiel in het ongelijk wordt gesteld. Een en ander brengt mee dat indien door verweerder wel een belangenafweging was gemaakt, deze, gelet op het door verweerder de facto gehanteerde toetsingskader, in het voordeel van de vreemdeling moest uitvallen. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl