Rb. 's-Gravenhage 19 juni 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5897

SAMENVATTING De mvv-aanvraag van Afghaanse vrouw en zoon vanuit Pakistan is gedaan voor verblijf bij in Nederland verblijvende Afghaanse echtgenoot en overige kinderen (en voor toelating als vluchteling). De rechtbank vernietigt het afwijzende besluit omdat verweerder ten onrechte in de belangenafweging die artikel 8 EVRM voorschrijft slechts heeft betrokken de - zwaarwegende - omstandigheid dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven elders uit te oefenen. Uit het besluit niet blijkt of, en zo ja, in welke mate, verweerder bij zijn afweging rekening heeft gehouden met de overige bijzondere omstandigheden van het geval; een groot deel van het gezin van eiseres verblijft in Nederland op basis van een verblijfsvergunning zonder beperking, lange duur van de procedure mede doordat verweerder twee keer niet binnen de wettelijke termijnen heeft beslist, met als gevolg een lange periode van onzekerheid voor eiseres, gescheiden van haar echtgenoot en enkele van haar (jonge) kinderen. Vernietiging wegens motiveringsgebrek. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit evenwel in stand, nu inmiddels is gebleken dat nadien door de staatssecretaris van Justitie een zogenoemd 1F-onderzoek is gestart ten aanzien van de echtgenoot van eiseres. De omstandigheid dat de verblijfsaanspraken van de referent mogelijk komen te vervallen wegens toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag levert voldoende grond op om op dit moment aan eiseres en haar zoon een mvv te weigeren. Er is geen grond voor mvv voor toelating als vluchteling, nu de Pakistaanse autoriteiten in de praktijk nog altijd het non-refoulementbeginsel eerbiedigen (ambtsberichten 9 mei 2000 en 6 december 2000). Beroep gegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen