Rb. 's-Gravenhage 22 oktober 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5827
Rechtbank hanteert in beginsel als voorwaarde voor bijzondere toestemming als bedoeld in art. 8:32, tweede lid, Awb dat de gemachtigde langs tuchtrechtelijke weg aan geheimhouding kan worden gebonden. Bezwaar van werkgever (eiseres) tegen toekenning van een WAO-uitkering aan werknemer ongegrond verklaard. In beroep is door de werknemer geen toestemming verleend om eiseres van de medische gedingstukken kennis te laten nemen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juli 2001, gepubliceerd in USZ 2001/199, overweegt de rechtbank dat toepassing van de medische besluitenregeling, neergelegd in (met name) art. 88c WAO, leidt tot een schending van de "equality of arms", anders gezegd een niet toelaatbare onevenwichtigheid tussen partijen in hun processuele positie. Dit betekent dat aan de medische besluitenregeling geen onverkorte toepassing kan worden gegeven. In zoverre berust het bestreden besluit, dat wel naar die regeling verwijst, op een onjuiste motivering. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. Hierbij is, eveneens gelet op voornoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, in aanmerking genomen dat aan de elementaire eisen van een "eerlijk proces" wel wordt voldaan indien - de artikelen 88c en 88g WAO in zoverre buiten toepassing latend - in de beroepsprocedure bij de rechter met toepassing van art. 8:32, tweede lid, Awb wordt bepaald dat inzage in dan wel de kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen, en dat deze gemachtigde - voor zover het de medische aspecten betreft - in de plaats van de werkgever treedt. Nu de gemachtigde van eiseres advocaat noch arts is (Red.: medewerker van een landelijke werkgeversorganisatie), was zij aangewezen op de hiervoor bedoelde bijzondere toestemming van de rechtbank Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 8:32, tweede lid, Awb dient van de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming terughoudend gebruik te worden gemaakt. Anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, is het verlenen van toestemming aan een procesvertegenwoordiger die geen advocaat of arts is, niet vanzelfsprekend. Gelet op de door de wetgever uitdrukkelijk beoogde (en in de genoemde uitspraak als randvoorwaarde gestelde) bescherming van de privacy van de werknemer acht de rechtbank een waarborg noodzakelijk dat de medische informatie niet door de gemachtigde aan zijn of haar opdrachtgever ter hand wordt gesteld. Die waarborg is in beginsel slechts aanwezig indien en voor zover de betrokken procesvertegenwoordiger met betrekking tot die geheimhoudingsverplichting aan een bijzondere (beroeps-) tuchtregeling is onderworpen. Aangezien de gemachtigde van eiseres niet langs tuchtrechtelijke weg aan geheimhouding kan worden gebonden, en anderszins evenmin garanties zijn geboden dat de medische gegevens niet ter kennis van eiseres zullen worden gebracht, heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres inzage in de medische gegevens geweigerd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres een "fair trial" niet is onthouden. Zij had er immers voor kunnen kiezen om haar belangen (alsnog) te laten behartigen door een gemachtigde die advocaat dan wel arts is. Zie ook rechtbank Zutphen d.d. 10 mei 2001, LJN AB2031. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mrs. C.J. Waterbolk, E.R. Eggeraat, M.M. Smorenburg
De uitspraak op rechtspraak.nl