Rb. 's-Gravenhage 11 juni 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5484

SAMENVATTING Irak / bloedwraak. Artikel 32, eerste lid, Vw blijft van toepassing op bezwaarschriften gericht tegen besluiten van vóór 1 april 2001. Deze bepaling kan worden beschouwd als een bepaling betreffende de behandeling van het bezwaar zoals bedoeld in artikel 118.2, Vw 2000. Dit is niet het geval voor artikel 33b Vw. Na 1 april 2001 bestaat er geen bevoegheid meer tot toepassing van die bepaling. Verzoeker vreest vervolging in Irak vanwege een kwestie van eerwraak. Hij wordt door de familie van zijn ex-vriendin ervan verdacht dat hij zijn ex-vriendin heeft ontmaagd. Uit het ambtsbericht Noord-Irak van 12 april 2000 blijkt dat de mogelijkheid en wil tot ingrijpen door PUK en KDP mede afhangen van de macht en positie van de betrokken families. Wat betreft de passage in het ambtsbericht over de problemen die vrouwen kunnen ondervinden in de clansfeer is onduidelijk in hoeverre dit ook betrekking heeft op de mannen die daarbij betrokken zijn. Dit bemoeilijkt een risico-inschatting. Verweerder heeft de passages in het ambtsbericht onvoldoende betrokken bij de toets aan artikel 3 EVRM. Toewijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen