Rb. 's-Gravenhage 23 augustus 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5012

Bewaring / termijn. De rechtbank stelt vast dat artikel 96 Vw 2000 geen termijn bevat waarbinnen de behandeling ter zitting dient plaats te vinden. Ook de memorie van toelichting biedt daarover geen uitsluitsel. Wel is daarin vermeld dat uiterlijk twee weken nadat het beroep is ingesteld uitspraak wordt gedaan. Deze toelichting impliceert dat na de sluiting van het vooronderzoek nog zeven dagen resteren voor de voorbereiding van de zitting, de zitting zelf en het doen van de uitspraak. Dat verdraagt zich niet met de wettekst. Die gaat immers uit van zeven dagen voor het doen van de uitspraak. Indien de toelichting gevolgd zou moeten worden, zou er geen ruimte zijn voor de voorbereiding van de zitting en de zitting zelf. Gelet op de door de wetgever kennelijk beoogde voortvarendheid bij de rechterlijke toetsing in opvolgende beroepen, ziet de rechtbank aanleiding aansluiting te zoeken bij het systeem dat ingevolge artikel 94 Vw 2000 geldt voor eerste beroepen, en ook in opvolgende beroepen voor de voorbereiding van de zitting en de zitting zelf een termijn van zeven dagen aan te houden. Dat betekent dat in beginsel een termijn van veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving geldt als termijn waarbinnen het beroep ter zitting dient te worden behandeld. In onderhavige zaak heeft de behandeling ter zitting plaatsgevonden op de zevenentwintigste dag na ontvangst van de kennisgeving, zodat de hiervoor genoemde termijn met dertien dagen is overschreden. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan een langere termijn in acht zou moeten worden genomen. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen