Rb. 's-Gravenhage 23 juli 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD3472
Art. 78c Abw laat ruimte voor het voeren van vaste gedragslijn, waarbij als uitgangspunt geldt dat fraude niet mag lonen. Eiseres is medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van een deel van de uitstaande vordering, aangezien de schuld het gevolg is van fraude. De rechtbank stelt vast dat verweerder inzake zijn bevoegdheid ingevolge art. 78c.1.d Abw geen beleidsregels heeft vastgesteld. De beleidsregel, zoals in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) op 17 december 1998 bij Raadsbesluit 980537 vastgesteld, kan hier niet als beleidsregel gelden, nu bedoeld Raadsbesluit enkel ziet op de bevoegdheid die de gemeente toekomt in het kader van de uitvoering van de WSNP. Dit neemt niet weg dat wel sprake is van een vaste gedragslijn van verweerder om bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen. Deze gedragslijn is in het bestreden besluit uiteengezet en ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat uitgangspunt van deze gedragslijn is de opvatting van verweerder dat fraude niet mag lonen. Naar het oordeel van de rechtbank laat art. 78c Abw ruimte voor het voeren van een zodanige vaste gedragslijn. Deze gedragslijn kan niet als kennelijk onredelijk of anderszins onaanvaardbaar worden beschouwd. Dit geldt te minder nu, zoals ook uit de parlementaire geschiedenis van de Wet herziening debiteurenbeleid blijkt, de wetgever met deze wet geen wijziging heeft beoogd ten aanzien van het uitgangspunt dat ten onrechte verleende uitkeringen moeten worden teruggevorderd (Tweede Kamer, 1997-1998, 25 661, nr. 3, blz. 4). Het gegeven dat art. 78c Abw blijkens de parlementaire geschiedenis ook toepassing kan vinden op fraudeschulden (t.a.p., blz. 5) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder. mrs. S.C. Stuhldreher, J.W. Sentrop, E.J.M. Heijs
De uitspraak op rechtspraak.nl