Rb. 's-Gravenhage 31 augustus 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD3269
Arbeid als zelfstandige / prostituees van buiten de EEU/EER / wezenlijk Nederlands belang / driejarenbeleid. Eiseres, een Indonesische, heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandig prostituee ingediend. Deze aanvraag is niet ingewilligd. De rechtbank overweegt dat in het beleid van Vc-1994 B12 toelating voor prostitutie niet expliciet is uitgesloten. Artikel 4:81 Awb en artikel 11 Vw en de opzet van Vc-1994 B12 laten verweerder echter ruimte om beleid te voeren buiten geschreven beleidsregels. Bij de toetsing van de vraag of verweerder zijn standpunt dat met de toelating van eiseres geen wezenlijk Nederlands belang is gediend, op de gegeven uitleg van ongeschreven beleid heeft kunnen baseren oordeelt de rechtbank in de eerste plaats dat de weigeringsgrond van artikel 3 Uitvoeringsbesluit bij de WAV min of meer losstaat van het bordeelverbod (artikel 251 bis Sr). Voorts overweegt de rechtbank dat de parlementaire geschiedenis van de opheffing van bordeelverbod geen blijk geeft van eenduidige opvattingen over de onwenselijkheid van toelating van prostituees van buiten de EU/EER maar wel duidelijk maakt dat de regering in ieder geval voorlopig - tot 1 oktober 2002 - geen Nederlands belang aanwezig acht. Verweerder heeft zich, met verwijzing naar de samenhang en achtergrond van het toelatingsbeleid voor prostituees in de hoofdstukken Vc-1994 B11 en B12 Vc-1994 en het geaccordeerde regeringsstandpunt, in redelijkheid op zijn standpunt kunnen stellen. Ten aanzien van het beroep op het driejarenbeleid stelde verweerder dat prostitutiearbeid geen verblijfsdoel in de zin van dit beleid is. De rechtbank overweegt echter dat het tot aan het moment van bekendmaking van de bestreden beschikking geen uitgemaakte zaak was dat het beoogde verblijfsdoel geen grond voor toelating kon zijn c.q. voor het verrichten van arbeid als prostituee geen verblijfsvergunning kon worden afgegeven. Eiseres voldoet aan de voorwaarden van het driejarenbeleid. Verweerder heeft nog aangevoerd dat dit beleid tot verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als prostituee zal leiden. Dit maakt echter niet dat verweerder niet aan zijn beleid gebonden is (artikel 4:84 Awb). Hetgeen door verweerder is aangevoerd is niet aan te merken als een zodanige bijzondere en onvoorziene omstandigheid dat ten nadele van eiseres van het driejarenbeleid mag worden afgeweken.
De uitspraak op rechtspraak.nl