Rb. 's-Gravenhage 15 februari 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB3333
In casu zijn de aan het beginsel van de formele rechtskracht verbonden bezwaren niet zo klemmend dat uitzondering op dit beginsel dient te worden gemaakt. Eiser, alleenstaande man van 39 jaar, woont bij zijn moeder in huis. Aanvankelijk ontving hij bijstand naar de norm voor een alleenstaande zonder toeslag. Bij uitspraak van de CRvB van 2 maart 1999, in de zaak 98/6295 ABW (RSV 1999/163, LJN: ZB8147) is geoordeeld dat in het geval een ontvanger van bijstand, ouder dan 21 jaar, bij zijn ouder(s) inwoont het hebben van enig zogeheten schaalvoordeel niet kan worden uitgesloten, maar dat in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat wat het kunnen delen van de algemeen noodzakelijke bestaanskosten betreft bij deze groep sprake is van een situatie die op dit punt geheel vergelijkbaar is met die van gehuwden. De desbetreffende bijstandsverordening van de gemeente Rotterdam is in die uitspraak in strijd met art. 33 Abw geacht. Op basis hiervan heeft het gemeentebestuur van Den Haag zijn - op dit punt geheel vergelijkbare - bijstandsverordening aangepast, in die zin dat dergelijke bijstandontvangers wel een toeslag kunnen ontvangen. Aan deze wijziging is in de verordening terugwerkende kracht verleend tot 1 maart 1999. Zoals in de vorige paragraaf van deze uitspraak is weergegeven, is aan eiser op die voet een toeslag toegekend. Wat ter beoordeling in casu overblijft is verweersters grond dat de formele rechtskracht van een eerder besluit in de weg kan staan aan het alsnog toekennen van de omstreden toeslag over de gehele periode. De rechtbank tekent hierbij aan dat in het geval waarover de CRvB oordeelde in zijn uitspraak van 2 maart 1999 betrokkene bezwaar had gemaakt tegen het besluit waarmee zij onder het regime van de (nieuwe) Abw was gebracht, waarbij tevens was besloten dat zij de toeslag als bedoeld in art. 33 van die wet niet kreeg toegekend. In dat geval speelde dus de problematiek van de formele rechtskracht die in het thans voorliggende geding moet worden beoordeeld niet. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval geen grond voor het oordeel dat eiser en verweerster het erover eens zijn dat de door verweerster oorspronkelijk genomen beschikking onrechtmatig was. Bezien dient te worden of de aan het beginsel van de formele rechtskracht verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat hierop, gezien de bijzonderheden van het gegeven geval een uitzondering moet worden gemaakt. Nu eiser evenwel heeft berust in het ontvangen van een aanzienlijk lager bedrag, zonder toeslag, kan eiser met zijn bezwaar en beroep niet bewerkstelligen enige jaren later alsnog met terugwerkende kracht tot 1 april 1997 die toeslag te ontvangen. De aan het beginsel van de formele rechtskracht verbonden bezwaren zijn in dit geval niet zo klemmend te achten dat uitzondering op dat beginsel dient te worden gemaakt. Met de toekenning van de toeslag in het primaire besluit met terugwerkende kracht tot 1 maart 1999 is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet tekort gedaan. Verweerster is, anders dan eiser kennelijk meent, niet verplicht in voor eiser gunstige zin in verdergaande mate terug te komen op het eerdere besluit. Beroep ongegrond. Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AS6593 De Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster. mrs. D.A. Verburg, C.J. Waterbolk, S.C. Stuhldreher
De uitspraak op rechtspraak.nl