Rb. 's-Gravenhage 11 juli 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2603

De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een maximumbedrag van fl. 2.366.000,00.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen