Rb. 's-Gravenhage 1 mei 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2427
Irak / vestigingsalternatief Noord-Irak. Aangenomen moet worden dat eiser bij terugkeer naar Irak voor vervolging te vrezen zal hebben. Ter beoordeling staat vervolgens of eiser zich hieraan kan onttrekken door zich in Noord-Irak te vestigen. De rechtbank acht het standpunt van verweerder dat eiser niet tot een van de risicogroepen zoals genoemd in de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken, onvoldoende gemotiveerd. De ambtsberichten geven geen nadere uitleg over de vraag welke politieke opposanten als vooraanstaand of prominent moeten worden aangemerkt. Verweerder heeft in de bestreden beschikking zonder nadere motivering overwogen dat eiser niet tot een risicogroep kan worden gerekend en in het verweerschrift volstaan met op te merken dat het enkele lidmaatschap van de Beth Nareen-beweging en het verrichten van activiteiten hiervoor, niet meebrengt dat eiser tot een risicogroep behoort. Verweerder miskent daarbij naar het oordeel van de rechtbank dat eiser heeft aangegeven dat hij, naast de activiteiten die hij zelf heeft verricht, de verantwoordelijkheid droeg voor de coördinatie van de politieke activiteiten van een groep partijgenoten. Bovendien blijkt uit de ambtsberichten met betrekking tot Centraal-Irak dat het Iraakse regime zeer repressief optreedt tegen iedere vorm van (vermeende) politieke tegenstand, zodat niet valt uit te sluiten dat eiser als meer dan marginaal tegenstander wordt beschouwd. Het voorgaande klemt te meer nu eiser heeft verklaard dat tijdens zijn verblijf in Noord-Irak een (mislukte) aanslag op hem is gepleegd. Verweerder heeft in de bestreden beschikking weliswaar tegengeworpen dat eiser niet heeft kunnen aantonen dat deze aanslag op hem was gericht, doch de rechtbank overweegt dat, daar waar de geloofwaardigheid van eisers relaas voor het overige buiten twijfel staat en er voor eiser bovendien nauwelijks mogelijkheden zijn om zijn verklaring nader te onderbouwen, van de juistheid van deze verklaring moet worden uitgegaan. Een andere benadering zou geen recht doen aan het absolute karakter van het verbod op refoulement. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl