Rb. 's-Gravenhage 1 februari 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2406
Mvv / feitelijke gezinsband. Referente heeft ten behoeve van haar minderjarige Ghanese zoon verzocht om een ambtshalve advies over de afgifte van mvv. Dit is tevens opgevat als aanvraag om een mvv. Dit verzoek is niet ingewilligd. Verweerders uitleg van het beleid inzake verbreking van de feitelijke gezinsband is in hoofdlijnen niet onredelijk. Het bestreden besluit rust echter deels op een interpretatie van beleidsregels die - althans ten dele - achterhaald is en deels op beleidsregels die nog kenbaar moeten worden gemaakt. Derhalve is er sprake van een motivering die, in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet in voldoende mate kenbaar is geweest. In het onderhavige geval plaatst de rechtbank bovendien de volgende kanttekeningen bij de door verweerder gegeven uitleg. Uit de uitleg van verweerder volgt dat het kind niet geacht wordt duurzaam te zijn opgenomen in een ander gezin wanneer aannemelijk is geworden dat de intentie van de ouder om het kind naar Nederland te laten overkomen - ondanks belemmeringen in bijvoorbeeld de verblijfsrechtelijke sfeer - toch is blijven voortduren. Onder andere hierom hadden de 22 door eiser overgelegde brieven voor de besluitvorming relevante informatie kunnen bevatten. Nu verweerder slechts vijf van die brieven bij zijn beoordeling heeft betrokken, is het besluit niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid. Gelet op de uitlatingen van verweerder naar aanleiding van het debat in de Tweede Kamer in 1996 over de toen nog geldende “omgekeerde wachttijd”, kan de ter zitting genoemde termijn van zes maanden niet zonder nadere motivering worden gehanteerd als uitgangspunt bij het vaststellen van het tijdsbestek waarbinnen in Nederland verblijvende ouders - zodra aan alle voorwaarden is voldaan - stappen dienen te ondernemen om tot gezinshereniging over te gaan, voordat wordt aangenomen dat zij de intentie om tot gezinshereniging over te gaan hebben prijsgegeven. Om te bepalen in hoeverre een ouder voorziet in het onderhoud van een kind, dienen, gelet op de in het bestuursrecht geldende “vrije bewijsleer”, alle bewijsmiddelen bij de beoordeling te worden betrokken. De criteria van de draagkracht van de ouder en de behoefte van het kind zijn eerder in lijn met de uitgangspunten van het beleid, dat aansluit bij de feitelijke situatie van het kind in het land van herkomst, dan de normstellingen in de AKW, die de situatie in Nederland als uitgangspunt neemt. Verweerder heeft het standpunt van eiser dat hij niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd, niet zonder nadere bespreking kunnen passeren. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl