Rb. 's-Gravenhage 5 april 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2256

Bij bepaling van het vermogen van eiseres is ten onrechte geen rekening gehouden met de bijzondere regels die zijn gesteld in art. 20, leden 3 tot en met 7 Abw met betrekking tot vermogen dat gebonden is in een eigen woning. Intrekking Abw-uitkering per 12 januari 1998, aangezien eiseres op die datum voldoende middelen had om zelf in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Eiseres had namelijk door het afsluiten van een tweede hypotheek op die datum een vermogen van fl. 49.409,75. De teveel ontvangen uitkering ad fl. 1.667,50 netto wordt teruggevorderd. Voorts eist verweerder het middels krediethypotheek geleende bedrag ad. fl. 33.050,- direct op. Rechtbank: Uit de door verweerder gegeven motivering blijkt dat hij er van uitgaat dat het door eiseres vrijgemaakte gedeelte van haar vermogen geheel de grens van het vrij te laten vermogen te boven gaat. Hierbij heeft verweerder getoetst aan de artt. 51 tot en met 54 Abw. Uit niets blijkt evenwel dat verweerder rekening heeft gehouden met de bijzondere regels die zijn gesteld in respectievelijk krachtens art. 20, derde respectievelijk zevende lid van de Abw met betrekking tot vermogen dat gebonden is in een eigen woning. De omstandigheid dat bij de aanvang van de bijstandsverlening al rekening is gehouden met het vrij te laten vermogen als bedoeld in (thans) art. 54 Abw sluit immers niet uit dat (een deel van) het nu door eiseres vrijgemaakte vermogen valt beneden de in art. 20.3 Abw gestelde grens aan het bij de middelentoets te betrekken vermogen dat gebonden is in een eigen woning. Daarom staat niet vast dat het gehele door eiseres uit de hypothecaire lening verkregen bedrag bij de middelentoets betrokken moet worden. In dat geval dienen deze middelen toch geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te worden gelaten bij de toetsing van haar recht op bijstand aan de artt. 7 en 20 Abw. In dat geval is de bijstand geheel of gedeeltelijk ten onrechte beëindigd en ontbrak op grond van art. 69.3 Abw een grondslag voor terugvordering van alle of een deel van de na 12 januari 1998 betaalde bijstand. Motivering besluit onvoldoende kenbaar en draagkrachtig. Beroep gegrond. College van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude. mr. J.L. Verbeek

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen