Rb. 's-Gravenhage 26 april 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1918
Bewaring / voortvarendheid. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat onderzoek van het paspoort van Liberiaanse eiser in het vreemdelingrechtelijk traject achterwege kan blijven, nu dit slechts de reden voor de strafrechtelijke aanhouding was. De rechtbank deelt die mening niet. Mede gelet op hetgeen door eiser ter zitting naar voren is gebracht, kon vanaf het begin de mogelijkheid niet uitgesloten worden geacht dat eisers paspoort geldig is. Verweerder had dan ook in een vroegtijdig stadium onderzoek naar het paspoort dienen te verrichten. Ook ten aanzien van eisers Italiaanse verblijfsdocument is onvoldoende gebleken dat hiernaar onderzoek heeft plaatsgevonden, terwijl dit op relatief eenvoudige wijze had gekund. Het belang van het onderzoek van het paspoort en de Italiaanse verblijfsvergunning is groot, nu bij geldigheid van deze papieren eiser zich rechtmatig in Nederland zou bevinden. Nu deze onderzoeken niet hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat verweerders handelwijze in deze onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend is. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl