Rb. 's-Gravenhage 30 maart 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1753
Visumverlenging / processueel belang. Eiser heeft geen enkel (processueel) belang meer bij een beslissing op het door hem ingestelde beroep. Eiser verblijft reeds vanaf 4 oktober 1999 op grond van een visum, geldig van 1 oktober 1999 tot 15 januari 2000, in Nederland. De maximale duur van een visum, inclusief een eventuele verlenging, is drie maanden en in uitzonderingsgevallen zes maanden. Deze termijn van drie respectievelijk zes maanden is reeds lange tijd verstreken. Nog daargelaten dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die voor verweerder aanleiding hadden kunnen zijn om de geldigheidsduur van het visum te verlengen, heeft eiser sedert het verstrijken van de geldigheidsduur feitelijk in Nederland verbleven en heeft hij geen schade geleden door het niet verlengen van zijn visum. Evenmin verliest eiser door het niet verlengen daarvan enige aanspraak op toelating of verblijf. Eiser heeft er derhalve geen enkel belang bij dat een korte periode van zijn feitelijk verblijf hier te lande achteraf nog wordt gedekt door de verlenging van de geldigheidsduur van zijn visum met enkele maanden. Eiser heeft dit belang zelf ook niet kunnen aangeven. Vaste jurisprudentie is voorts dat de wens tot het verkrijgen van een louter principiële uitspraak geen rechtens relevant belang bij beoordeling van een besluit oplevert. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl