Rb. 's-Gravenhage 12 maart 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1411
Rwanda / artikel 1F VSV / statusdeterminatie. Eiser bezit de Ugandese en eiseres de Rwandese nationaliteit. Ter beoordeling staat de vraag of verweerders conclusie dat eiser zich als soldaat en later als luitenant in de periode van 1984 tot 1994 in Rwanda schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 1F, aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag (VSV) bedoelde misdrijven en het VSV derhalve niet op hem van toepassing is, gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van die vraag de bepaling van artikel 1F VSV restrictief moet worden uitgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval naar aanleiding van de verklaringen van eiser heeft kunnen besluiten dat dergelijke aanwijzingen aanwezig zijn en dat eiser derhalve (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven, zoals genoemd in artikel 1F onder a, VSV. De rechtbank is van oordeel dat eiser een daadwerkelijke morele keuze had om zich te onttrekken aan bedoelde misdrijven. De rechtbank stelt vast dat eiser ruim negen jaar gediend heeft in het leger. Bovendien acht de rechtbank van belang dat eiser in deze periode tweemaal gepromoveerd is en dat volgens verklaring van eiser hij enkel vanwege zijn Muganda-afkomst niet voor verdere promotie in aanmerking is gekomen. Voorts acht de rechtbank de door eiser gestelde dwang niet aannemelijk, nu eiser als luitenant leiding heeft gegeven. De rechtbank acht tevens van belang dat eiser heeft verklaard met zijn groep mensen opnieuw opgeroepen te zijn juist vanwege zijn bekendheid als gedisciplineerd soldaat met een goede staat van dienst. Ten aanzien van eisers stelling dat door toepassing van artikel 1F VSV door verweerder ten onrechte geen statusbepaling op grond van artikel 1A VSV heeft plaatsgevonden oordeelt de rechtbank dat verweerders handelwijze niet in strijd met dat Vluchtelingenverdrag is. Het Vluchtelingenverdrag schrijft immers geen bepaalde wijze van toetsing voor. De rechtbank is van oordeel dat aan eiseres de toelating als vluchteling om dezelfde reden eveneens terecht is geweigerd. Ten slotte wijst de rechtbank erop dat slechts de uitzetting naar een land waar een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM dreigt, schending van die bepaling kan opleveren. Nu uitzetting van eiser thans in deze procedure niet aan de orde is, zal de rechtbank hierop niet ingaan. Dit ontslaat verweerder niet van de plicht zich te zijner tijd daarover inhoudelijk uit te laten indien zij voornemens is tot uitzetting over te gaan. De rechtbank volgt verweerder in navolging van de REK-uitspraak van 11 september 1997 in diens oordeel dat dit niet tot verblijfsaanvaarding in de zin van verstrekking van een vtv hoeft te leiden. Beroepen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl