Rb. 's-Gravenhage 25 januari 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0577

Bijzondere bijstand in de vorm van doorbetaling van de huur tijdens detentie. Afwijzing eisers aanvraag om bijstand in de kosten van de huur van de woning, omdat dit gezien de duur van de detentieperiode niet noodzakelijk wordt geacht. De rechtbank stelt vast dat het op grond van de wettelijke bepalingen ter vaststelling van het recht op bijzondere bijstand noodzakelijk is om vast te stellen of de individuele aanvrager in zijn concrete geval recht heeft op bijzondere bijstand. In casu is gebleken dat verweerster, na het verzoek van eisers gemachtigde om doorbetaling van de huur over de maanden februari t/m 15 april 1999, de aanvraag heeft getoetst aan het in de gemeente gehanteerde beleid inzake doorbetalen van woonkosten tijdens detentie. Dat beleid heeft betrekking op kort-gedetineerden die in staat worden gesteld hun woning aan te houden in afwachting van hun invrijheidstelling. Daarvan is hier geen sprake. Van meet af aan was duidelijk dat eiser zijn woning niet wilde aanhouden tot hij vrij zou komen. Eiser heeft zo spoedig mogelijk de huur opgezegd, maar was desalniettemin genoodzaakt tot half april 1999 de huur door te betalen. De rechtbank is niet gebleken dat verweerster concrete feiten en omstandigheden heeft vastgesteld aan de hand waarvan zou moeten worden beoordeeld of eiser in casu voor bijzondere bijstand in aanmerking komt. Verweerster heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzocht of eiser in casu over voldoende middelen kon beschikken om de voor hem onvermijdelijke kosten te voldoen. Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster. mr. D.A. Verburg

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen