Rb. 's-Gravenhage 13 oktober 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1419
Irak / schorsende werking / authenticiteit documenten. Verzoeker bezit de Iraakse nationaliteit. Verweerder heeft de beslissing dat de uitzetting niet achterwege blijft gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, genomen geruime tijd na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn voor beslissen op bezwaar. Naar het oordeel van de president kan verweerder in beginsel in redelijkheid niet meer beslissen dat de vreemdeling zijn bezwaar niet in Nederland mag afwachten, indien meer dan zes maanden na de indiening van het bezwaar zijn verstreken, tenzij bepaalde ontwikkelingen in de jurisprudentie worden afgewacht. In dit geval is niet gebleken dat het tijdsverloop samenhing met de wens ontwikkelingen in de jurisprudentie af te wachten en evenmin zijn er bijzondere omstandigheden naar voren gekomen. Daaruit volgt dat uitzetting achterwege moet blijven gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. Verweerder heeft overwogen dat uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee is gebleken dat het door verzoeker overgelegde Iraakse identiteitsbewijs zeer waarschijnlijk een niet authentiek document betreft. De president stelt vast dat het oordeel van de Koninklijke Marechaussee derhalve is gebaseerd op een veronderstelling. Verweerder heeft derhalve ten onrechte op grond van het overgelegde document getwijfeld aan de juistheid of oprechtheid van de asielmotieven van verzoeker.
De uitspraak op rechtspraak.nl