Rb. 's-Gravenhage 18 december 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0332
Bewaring / uitzetting / hoorplicht. In een geval als dit strijden (ten minste) twee belangen van de vreemdeling met elkaar, te weten zijn belang dat de bewaring niet langer zal duren dan strikt noodzakelijk is, en zijn belang door de rechter gehoord te kunnen worden over (de rechtmatigheid van) die bewaring. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat het belang dat de bewaring niet langer duurt dan strikt noodzakelijk is, prevaleert boven het belang over die bewaring gehoord te kunnen worden. Dat impliceert dat de enkele uitzetting van een vreemdeling vóórdat tegen de bewaring beroep is ingesteld of een kennisgeving (als bedoeld in artikel 18b, derde en vierde lid, Vw j° artikel 86 Vb) is gedaan, die bewaring niet zonder meer onrechtmatig maakt, ook niet als daardoor de vreemdeling niet in staat wordt gesteld persoonlijk voor de rechter te verschijnen en te worden gehoord. Dat ligt echter anders als wel reeds beroep tegen de bewaring is ingesteld of een daarmee gelijkgestelde kennisgeving is gedaan. Dan immers is duidelijk hetzij dat de vreemdeling kennelijk tegen de bewaring wenst op te komen (en ligt het in de rede er vanuit te gaan dat hij persoonlijke verschijning gewenst acht), hetzij dat reeds geruime tijd (28 dagen) is verstreken zonder dat het tot een uitzetting is gekomen. In beide gevallen staat voorts vast dat de behandeling van de zaak ter zitting binnen twee weken zal plaatsvinden, en de vreemdeling dus op betrekkelijk korte termijn zal kunnen worden gehoord. In die gevallen kan uitzetting zonder in strijd te komen met het bepaalde in artikel 34a, tweede lid, Vw slechts plaatsvinden, indien blijkt van een afstandsverklaring als hiervoor bedoeld. Beroep gegrond, afwijzing verzoek schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl