Rb. 's-Gravenhage 30 november 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0211

Witte-illegalenbeleid / ononderbroken verblijf. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom een verblijfsgat te rekenen vanaf 1 januari 1992 tot 16 februari 1992 niet wordt geaccepteerd. Als toelichting heeft verweerder gegeven dat onder het vereiste dat een vreemdeling vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland, wordt verstaan dat de vreemdeling vanaf die datum feitelijk hoofdverblijf hier te lande moet hebben gehad. Een tijdelijke onderbreking door bijvoorbeeld vakantie wordt niet aangemerkt als een verplaatsing van het hoofdverblijf. De term onderbreking veronderstelt dat men reeds hier te lande hoofdverblijf heeft. Hieruit volgt dat een tijdelijke onderbreking niet aan het begin van de toetsperiode kan bestaan. De president acht deze toelichting op het beleid begrijpelijk, en de onderhavige voorwaarde niet onredelijk. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het ontbrekende gedeelte in het geval van verzoeker niet kan worden aangemerkt als een tijdelijke onderbreking. De president is echter van oordeel dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vtv in redelijkheid aan verzoekers kan onthouden. Uit oogpunt van evenredigheid roept het vragen op dat verweerder enerzijds in geval van een tekort van slechts 45 dagen aan het begin van de toetsperiode het woonplaatsvereiste tegenwerpt, terwijl verweerder anderzijds het beleid voert dat een verblijfsgat van drie maanden - in bepaalde gevallen zelfs van zes maanden of meer -, niet wordt tegengeworpen. Toewijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen