Rb. 's-Gravenhage 5 december 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0104
Bewaring / kennisgeving / asielaanvraag. Ingevolge artikel 18b, eerste lid, Vw dient, indien een vreemdeling vier weken in een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste lid heeft doorgebracht, verweerder de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van het voortduren van de vrijheidsbeneming. Ingevolge artikel 86 Vb is voornoemd artikel van overeenkomstige toepassing op een vreemdeling die vier weken in bewaring heeft doorgebracht. De REK heeft bij uitspraak van 8 juni 1994 bepaald dat onder onverwijld dient te worden verstaan de eerste werkdag na verloop van de vier weken termijn. In het onderhavige geval is de bewaring op 12 oktober 2000 ingegaan. Dit betekent dat de vreemdeling op 9 november 2000 vier weken, 28 volle dagen, in bewaring had doorgebracht, zodat als eerste werkdag dient te worden vastgesteld 10 november 2000. Nu de kennisgeving op 8 november 2000 is verzonden aan de rechtbank is van termijnoverschrijding geen sprake. Een asielaanvraag kan pas in behandeling worden genomen als het daartoe bestemde F-formulier is ingevuld. Gebleken is dat verweerder een F-formulier aan de vreemdeling heeft overhandigd. De vreemdeling heeft toen te kennen gegeven dit formulier niet te willen ondertekenen zonder dat hij eerst met de piketadvocaat had gesproken. De piketadvocaat heeft de vreemdeling bezocht, maar toen heeft de vreemdeling het F-formulier niet ingevuld. De vreemdeling heeft ook nimmer gedurende de verdere periode van de bewaring aangegeven dat hij een asielverzoek wilde indienen. Gelet op vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een asielverzoek. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde onrechtmatigheden bij de uitzetting van de vreemdeling in dit geval buiten de omvang van dit geding gaan en derhalve bij de beoordeling van het beroep geen rol kunnen spelen. Slechts in het geval de onrechtmatigheden bij een uitzetting zijn terug te voeren op enige onrechtmatigheid in de bewaring, kunnen deze onderwerp zijn van een rechterlijke toetsing in het kader van een beroep ex artikel 34 Vw. Nu niet van onrechtmatigheid van de bewaring is gebleken, gaat de rechtbank aan de grieven van de vreemdeling die slechts de rechtmatigheid van de uitzetting betreffen voorbij. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl