Rb. 's-Gravenhage 2 november 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0050
Leemtewet / vtv partner. Tussen partijen staat vast dat verzoekster de Bosnische nationaliteit bezit en haar aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend op 19 augustus 1998, na de inwerkingtreding van de Leemtewet. Naar het voorlopig oordeel van de president roept de verlening van een vtv op grond van artikel 13a Vw aan de echtgenoot van verzoekster vragen. Dient verweerder in het kader van het ambtshalve onderzoek op grond van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw te onderzoeken, of aan verzoekster op grond van de toelating van haar echtgenoot in samenhang met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM, een vtv op grond van klemmende redenen van humanitaire aard kan worden verleend of kan verweerder pas aan zodanig onderzoek toekomen nadat verzoekster daartoe een aparte aanvraag heeft gedaan bij de korpschef? Bieden de tekst van de wet en/of de wetsgeschiedenis voldoende grondslag voor de (restrictieve) interpretatie van verweerder dat het bij het op artikel 15a van de Vw gebaseerde ambtshalve onderzoek moet gaan om een onderzoek naar asielgerelateerde klemmende redenen van humanitaire aard? Is, omdat de toelating van verzoeksters echtgenoot is gebaseerd op de verlening van een vvtv in samenhang met artikel 13a Vw, verzoeksters aanspraak op een vtv op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in verband met artikel 8 van het EVRM asielgerelateerd te achten? Hoe valt de stelling van verweerder, dat verzoeksters echtgenoot naar Bosnië terug kan keren, te rijmen met de verlening aan hem van een vvtv, gevolgd door de verlening van een vtv na ommekomst van de in artikel 13a Vw genoemde termijn? Gezien de aan de orde zijnde rechtsvragen ziet de president geen aanleiding daarover een voorlopig oordeel te geven en op het oordeel van de rechtbank vooruit te lopen. Toewijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl