Rb. 's-Gravenhage 20 november 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0048

Bosnië / Roma / nationaliteit. Eisers zijn Roma-zigeuners en moslim. Eiser heeft de Kroatische nationaliteit, eiseres de Bosnische nationaliteit. In de beschikking van 7 december 1994 terzake van het eerste asielverzoek van eisers, is ervan uitgegaan dat eiseres de Kroatische en niet de Bosnische nationaliteit had. Haar asielverzoek is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw en er is, zonder concreet in te gaan op haar relaas, slechts ten overvloede overwogen dat er, gelet op hetgeen blijkens het rapport van gehoor is aangevoerd, in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat er geen gevaar bestaat voor vervolging. Bij uitspraak van 19 mei 1995 is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en is het bezwaarschrift, gericht tegen de beschikking van 7 december 1994, ongegrond verklaard, onder meer met de motivering dat voor zover al moet worden aangenomen dat verzoekers de Bosnische nationaliteit bezitten, de door verzoekers aangevoerde vluchtmotieven geen aanknopingspunten bieden voor toelating als vluchteling. Indien verweerder tijdens de eerste procedure om toelating er wel van uit zou zijn gegaan dat eiseres de Bosnische nationaliteit bezat, is aannemelijk dat aan haar een vvtv zou zijn verleend en haar asielaanvraag buiten behandeling gelaten zou zijn tot de inwerkingtreding van de werkinstructie nr. 26, die geldig was van 23 oktober 1995 tot 22 december 1995 en bijzonder beleid bevatte op grond waarvan asielzoekers uit Bosnië-Herzegovina in beginsel als vluchteling werden toegelaten, behoudens contra-indicaties. Nu eiseres inmiddels had aangetoond de Bosnische nationaliteit te bezitten kon verweerder derhalve niet volstaan met de verwijzing naar de uitspraak van 19 mei 1995. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat, nu eiseres bij haar aanvraag om een vtv van 18 december 1996 heeft aangetoond de Bosnische nationaliteit te bezitten, verweerder haar op grond van werkinstructie nummer 60 van 6 mei 1996 een vvtv had dienen te verlenen. Dat reeds, zoals verweerder eiseres heeft tegengeworpen, op eiseresses asielaanvraag was beslist doet hier niet aan af, nu ten tijde van de beslissing op die asielaanvraag nog niet vast stond en betwist werd dat zij de Bosnische nationaliteit had en dit ten tijde van haar aanvraag om een vergunning tot verblijf wél vast stond. Verweerder had eiseres derhalve met ingang van 25 januari 1994, de datum van de indiening van de asielaanvraag, in het bezit dienen te stellen van een vvtv, hetgeen ertoe geleid zou hebben dat eiseres met ingang van 25 januari 1997 in het bezit zou zijn gesteld van een vtv zonder beperking. Beroep in zoverre gegrond ten aanzien van eiseres. Uit het voorgaande blijkt dat eiseres een redelijke kans heeft op verlening van een verblijfstitel. In geval van titelverlening aan eiseres ligt met betrekking tot eiser een nieuwe belangenafweging zoals bedoeld in artikel 8 EVRM in de rede. Daarop kan eerst naar behoren worden beslist, nadat uiteindelijk op de aanvraag van eiseres is beslist. Daarom ziet de rechtbank in de vernietiging van de weigering eiseres toe te laten voldoende aanleiding om op dezelfde grond over te gaan tot vernietiging van de weigering om aan eiser wegens artikel 8 van het EVRM een vtv op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen