Rb. 's-Gravenhage 28 november 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9834
Witte-illegalenbeleid / contra-indicaties. Naar het voorlopig oordeel van de president heeft het in de onderhavige zaak ingediende bezwaarschrift geen redelijke kans van slagen. De president stelt voorop dat hij op voorhand het beleid van verweerder, waarbij aansluiting is gezocht bij hoofdstuk A4/4.3.2.1 van de Vc-1994, niet onredelijk acht. Dit beleid houdt in dat een (eerste) toelating wordt geweigerd op grond van een veroordeling door een Nederlandse of buitenlandse strafrechter tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel terzake van een misdrijf. Ingevolge verweerders beleid geldt dit ook indien een straf nog niet onherroepelijk is. Op 14 februari 1996 is tevens in aanvulling op hoofdstuk A4/4.3.2.1 van de Vc-1994 bepaald dat ook een aanvaard transactieaanbod terzake een misdrijf als contra-indicatie is vastgelegd in de Vc-1994. Gelet op de datum van indiening van de aanvraag, is het bovenstaand beschreven beleid van toepassing. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, nu naar het voorlopig oordeel van de president dit beroep onvoldoende is onderbouwd. Er is niet gebleken van een zodanig stelselmatig afwijken van het in het TBV neergelegde beleid door verweerder, dat verzoeker op grond van het verbod op willekeur dan wel het gelijkheidsbeginsel rechtens aanspraak zou kunnen maken op een zelfde van verweerders schriftelijk vastgelegde beleid afwijkende behandeling. Daarbij neemt de president in overweging dat hem ambtshalve meerdere gevallen bekend zijn, waarin verweerder aanvragen gedaan in het kader van bovenvermeld TBV bij veroordeling wegens misdrijf tot een geldboete, taakstraf of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf heeft afgewezen en schorsende werking heeft onthouden. Ook in het geval waarnaar verzoeker verwijst is slechts sprake van het verlenen van schorsende werking en niet van een inwilligende beslissing. Afwijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl