Rb. 's-Gravenhage 8 augustus 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA7186
I.c. is geen sprake geweest van daadwerkelijke ziekte zodat de opbouw van vakantieverlof niet is gestopt. Eiser heeft verzocht om uitbetaling van de niet genoten vakantiedagen. Verweerder heeft gesteld dat verlof vóór 1-1-1997 niet voor uitbetaling in aanmerking komt en t.a.v. de periode na 1-1-1997 gesteld dat de opbouw van het vakantieverlof per 1-9-1998 is gestopt omdat eiser sedert 24-2-1997 medisch gerelateerd arbeidsverzuim vertoont en m.i.v. 1-9-1997 bascode 2 is geplaatst. Rechtbank overweegt dat ingevolge art. 75, eerste en tweede lid, AMAR het vakantieverlof naar evenredigheid wordt verminderd indien de militair gedurende een periode langer dan een jaar wegens ziekte geen dienst heeft verricht. Verweerder is van mening dat onder "ziekte" mede dient te worden verstaan de situatie dat de militair, zoals in het geval van eiser, medisch gerelateerd arbeidsverzuim vertoont. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Eiser is op 24-2-1997 i.h.k.v. zijn reïntegratie aangevangen met de opleiding [opleiding], waarna hij tewerk is gesteld bij de Y van de Koninklijke landmacht. Zoals eiser ook zelf heeft aangegeven, is hij in de periode tot zijn ontslag nimmer ziek thuis geweest. Dat eiser als gevolg van zijn plaatsing bij de Individuele Begeleidingsdienst KL (IBDKL) als "ziek thuis" geregistreerd heeft gestaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat hij geen verlof meer heeft kunnen opbouwen en het nog openstaande vakantieverlof tegoed is komen te vervallen. In de regelgeving kan hiervoor geen steun worden gevonden. Ook zijn er geen aanwijzingen dat met de centrales van militair personeel afspraken van de door verweerder aangevoerde strekking zijn gemaakt. De door verweerder als productie 7 overgelegde beleidsbrief van 16-11-1995 over de Arbeidsvoorwaardenmaatregelen april 1995 - april 1997 is niet rechtstreeks van toepassing op de situatie als hier aan de orde. In die brief (paragraaf 4A) wordt slechts over verlof tijdens ziekte gesproken. In eisers situatie, waarin van daadwerkelijke ziekte geen sprake is geweest, is de opbouw van het vakantieverlof dus niet gestopt per 1-9-1998. De rechtbank is voorts van oordeel dat het beleid om geen verlofdagen te verlenen aan bij de IBDKL geplaatste militairen zich niet verdraagt met het feit dat eiser in overleg met zijn begeleidingsofficier wel vakantie heeft kunnen opnemen. Overigens kan dit beleid ook niet als redelijk worden aangemerkt. Beroep gegrond. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Staatssecretaris van Defensie, verweerder. mr. J.W. Sentrop
De uitspraak op rechtspraak.nl