Rb. 's-Gravenhage 19 juli 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6724
Verblijfsrecht in art. 1b.3 Vw naar voorlopig oordeel aangemerkt als "soortgelijke vergunning" i.d.z.v. art. 11.a EVSMB. Tevens is Koppelingswet, naar voorlopig oordeel, in strijd met art. 26 Bupo. Verzoek om voorlopige voorziening t.a.v. besluit inhoudende beëindiging van Abw-uitkering ingaande 25 mei 2000. Rechtbank: Als vaststaand moet worden aangenomen dat verzoeker aan het bepaalde in art. 7, onder 2, van de Abw geen aanspraak op gelijkstelling met een Nederlander kan ontlenen. Er is immers geen sprake van rechtmatig verblijf in de zin van art. 1b, aanhef en onder 1 Vw. Verzoeker kan evenmin aanspraak ontlenen op gelijkstelling met een Nederlander aan het bepaalde bij en krachtens art. 7.3 Abw. De in die bepaling genoemde amvb, te weten het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz, voorziet niet in een geval als dat van verzoeker, aangezien hij nimmer rechtmatig verblijf in Nederland in de zin art. 1b, aanhef en onder 1 Vw heeft gehouden. Verzoeker heeft aangevoerd dat een verblijfsrecht als bedoeld in art. 1b aanhef en onder 3 van de Vw aangemerkt moet worden als een "soortgelijke vergunning" als bedoeld in art. 11.a van het EVSMB, waarbij Turkije eveneens partij is en dat verzoeker daarom uit dien hoofde aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de Abw. Art. 1 EVSMB bepaalt dat onderdanen van de verdragstaten die zich rechtmatig ophouden in een van de andere verdragstaten en die niet beschikken over voldoende middelen dezelfde aanspraak op sociale en medische bijstand hebben als eigen onderdanen. Art. 11 onder a van het EVSMB bepaalt - voor zover hier van belang - dat het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van een der verdragsluitende partijen als rechtmatig in de zin van dit Verdrag wordt beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of een soortgelijke vergunning van kracht is, welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land. Ingevolge art. 11 onder b EVSMB wordt rechtmatig verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend. De pres. is van oordeel dat het niet uitgesloten moet worden geacht dat de hoogste rechter in zaken als de onderhavige uiteindelijk tot het oordeel zal komen dat, indien er zich ten aanzien van een onderdaan van een van de verdragsluitende staten een situatie voordoet als bedoeld in art. 1b aanhef en onder 3 van de Vw, er sprake is van een "soortgelijke vergunning" en derhalve van rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van het EVSMB. Geconcludeerd moet worden dat, nu uit de brief van de Staatsecretaris van Justitie van 20 juli 1999 volgt dat verzoeker uitstel van vertrek is verleend gedurende de behandeling van het beroep tegen de beslissing van 20 juli 1999, en het verzoeker op grond van de inhoud van de brief van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 15 december 1999 is toegestaan om de behandeling van het verzoek om toelating op grond van de tijdelijke witte illegalenregeling in Nederland af te wachten, er sprake is van de in art. 1b, aanhef en onder 3 Vw bedoelde situatie dat uitzetting van verzoeker, in afwachting van de - definitieve - beslissing op een aanvraag om toelating op grond van een beschikking ingevolge de Vw achterwege dient te blijven. Gelet hierop moeten de belangen van verzoeker bij het treffen van een voorziening als verzocht, bijzonder groot worden geacht. In aanmerking nemend de wederzijdse belangen is de president van oordeel dat het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen is. Voor zover verzoeker zich heeft beroepen op de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 28 oktober 1999 (nr. 98/8513 NABW), waarin is geoordeeld dat het in het kader van de toepassing van de Koppelingswet bij beëindiging van de bijstandsuitkering gemaakte onderscheid naar nationaliteit in strijd is met art. 26 van het Bupo, overweegt de president dat verzoeker naar haar voorlopig oordeel is te vatten onder de in genoemde uitspraak van de rechtbank onderscheiden categorie 2 van vreemdelingen ten aanzien waarvan dat oordeel geldt. Onder genoemde categorie wordt geschaard de groep vreemdelingen die, zoals i.c. het geval, op het moment van de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 bijstand ontving en voor wie de inwerkingtreding heeft geleid tot beëindiging van de bijstandsuitkering. Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening. Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster. mr. E.R. Houweling Bupo 26 EVSMB 1, 11.a, 11.b Abw 7 Vw 1b Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz 1.1
De uitspraak op rechtspraak.nl