Rb. 's-Gravenhage 27 april 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6455
Subsidieplafond; ten onrechte aanvragen uit andere indieningsperiode meegeteld voor bepaling plafond. Afwijzing diverse subsidieaanvragen o.g.v. de overweging dat door toewijzing van eerder ingediende aanvragen het subsidieplafond reeds is bereikt. Aanvankelijk subsidieplafond van f 12.000.000,-- is naderhand verhoogd tot f 17.000.000,--. Het extra budget zal worden aangewend voor aanvragen die zijn ingediend op 22 of 23-02-1999, op welke datum de aanvraagmogelijkheid is gesloten wegens het overschrijden van het subsidieplafond. De Rb. stelt voorop dat uit art. 3 van de regeling, het besluit tot openstelling en het besluit van 16-06-1999 tot verhoging niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de genoemde bedragen van maximaal f 12.000.000,-- en f 17.000.000,-- bestemd zijn voor aanvragen gedaan in de indieningsperiode van 22 en 23-02-1999. Dat in de bestreden besluiten het nader vastgestelde plafond niet is vermeld, beschouwt de Rb. als een ernstig gebrek in de motivering van deze besluiten. Uit verweerders verklaring ter zitting blijkt dat ruim f 5.500.000,-- is besteed aan aanvragen uit eerdere jaren. Een bedrag van f 5.000.000,-- hiervan komt uit het in juni 1999 extra beschikbaar gestelde bedrag. Dit is zonder meer in strijd met hetgeen bij de vaststelling van het plafond is bepaald. Aanvragen uit eerdere jaren, voor zover niet opnieuw ingediend op 22 of 23-02-1999, mochten voor het hier aan de orde zijnde subsidieplafond niet worden meegeteld. Over de verdere besteding van het beschikbare bedrag zijn van de zijde van verweerder uiteenlopende verklaringen afgelegd. Van belang is dat uit verweerders verklaring ter zitting van 19-04-2000 blijkt dat in totaal voor minder dan f 12.000.000,-- aan subsidie is toegekend. Uit de hiervoor vermelde verklaringen, in samenhang met de inhoud van het evaluatierapport, leidt de Rb. af dat - anders dan in de afwijzende beslissingen is vermeld - ten tijde van deze besluiten het subsidieplafond in werkelijkheid niet was bereikt. Niet gebleken is dus dat de ten aanzien van eisers gebezigde weigeringsgrond feitelijk juist is. De bestreden besluiten worden niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De besluiten moeten dan ook tevens wegens strijd met art. 7:12 Awb worden vernietigd. De beroepen zijn gegrond. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder. mr. C.C. Dedel-van Walbeek
De uitspraak op rechtspraak.nl