Rb. 's-Gravenhage 24 februari 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5846
Omzetting voorwaardelijke in definitieve toevoeging; art. 31.3 Wet op de rechtsbijstand staat niet toe dat rekening wordt gehouden met een toename van draagkracht die niet in relatie staat tot de verleende rechtsbijstand. Weigering omzetting voorwaardelijke in definitieve toevoeging voor rechtsbijstand i.v.m. echtscheidingsprocedure op de grond dat na beëindiging van de rechtsbijstand is gebleken dat sprake is van overschrijding van de vermogensgrens. De raad voor rechtsbijstand heeft het bestreden besluit doen steunen op art. 31.3 van de Wet op de rechtsbijstand (Wet) en daarbij rekening gehouden met het inkomen uit arbeid over maart 1998 bij X , presentiegeld van Y, partneralimentatie en kinderalimentatie. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 31 van de Wet betrekking heeft op die gevallen waarin de rechtsbijstand kan leiden tot een aanmerkelijke toename van de draagkracht, terwijl het bepaalde in art. 33.1.d van de Wet ziet op een toename van de draagkracht die niet in relatie staat tot de verleende rechtsbijstand. Uit de stukken bleek dat eiseres in 1996 slechts inkomen genoot uit het lidmaatschap van Y, zodat met de andere inkomensbestanddelen bij de beslissing omtrent voorwaardelijke toevoeging geen rekening kon worden gehouden. Haar inkomen uit arbeid voor X kan, anders dan de partner- en kinderalimentatie, niet worden geacht in relatie te staan tot de verleende rechtsbijstand. De door de Raad gekozen wettelijke grondslag liet dus niet toe dat met dit inkomensbestanddeel rekening werd gehouden. Bestreden besluit genomen in strijd met de Wet. Gegrond beroep. De raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage, verweerder mr. P.A. Koppen
De uitspraak op rechtspraak.nl