Rb. Rotterdam 12 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9603

Boete opgelegd aan veehouder voor vervoer van koe die 4 dagen eerder had geworpen. De veehouder is niet verminderd verwijtbaar. Er bestond een risico op ernstige aantasting van het welzijn van de koe door het vervoer. De rechtbank vindt de boete van € 1.500 evenredig.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3820
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
(gemachtigde: [maat van eiseres]),
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. Schouten).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.500,- die verweerder met het besluit van 21 februari 2025 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

1.2 Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2 Met het bestreden besluit van 29 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.

2.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3 De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde (tevens maat) van eiseres, bijgestaan door zijn echtgenote en maat [maat 2], en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1 Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 17 december 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.
“Aanleiding:
Betrof een onderzoek voortgekomen uit een selectieanalyse van de geregistreerde gegevens in het softwareprogramma I&R Dieren. Deze selectieanalyse had als doel exploitanten te selecteren die vermoedelijk runderen hebben afgestaan voor vervoer binnen 1 week na het afkalven. Hierbij is een selectie gemaakt van runderen waarbij het aantal dagen minder is dan 7 dagen tussen de geregistreerde afvoerdatum en de geregistreerde geboortedatum van het kalf.
Uit deze selectie kwam bij de onderneming [eiseres] met het uniek bedrijfsnummer (UBN) [nummer] een rund naar voren die binnen 7 dagen na het werpen was afgevoerd. Dit overzicht is als bijlage 1 toegevoegd aan dit rapport.
Bevindingen:
Ik, de toezichthouder, zag dat op 19-10-2024 het rund met levensnummer [nummer] een kalf geworpen heeft op het bedrijf met het UBN [nummer]. Op 23-10-2024 is dit rund afgevoerd van ditzelfde bedrijf. Op afbeelding 1 en 2 van bijlage 2 zijn respectievelijk de nakomelingen en verblijfplaatsen te zien van het rund met levensnummer [nummer], zoals het in het softwareprogramma I&R Dieren staat geregistreerd.
Het rund met levensnummer [nummer] heeft dus op 19-10-2024 geworpen en op 23-10-2024 is dit rund van het bedrijf afgevoerd. Hierdoor is vastgesteld dat het rund op dag 4 na het werpen is vervoerd (de dag van werpen is dag 0, dus vervoeren is toegestaan vanaf dag 8).
UBN [nummer] behoort toe aan [eiseres], [adres] (zie afbeelding 3 van bijlage 2).
[…]
Het overtreden feit waarvoor dit rapport van bevindingen is opgemaakt, is als volgt:
De houder op de plaats van vertrek liet een rund vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het een rund betrof, die in de week ervoor geworpen had.
Deze bevinding wordt [eiseres] aangerekend.
[…]
Op donderdag 28-11-2024, omstreeks 14:45, bevond ik, de toezichthouder, mij samen met collega [naam] op de locatie [adres], waar [eiseres] met UBN [nummer] is gevestigd. Nadat wij ons hadden voorgesteld en gelegitimeerd als toezichthouders van de NVWA, spraken wij met [maat van eiseres].
Ik, de toezichthouder, heb aan de [maat van eiseres] de bevindingen met betrekking tot het rund met levensnummer [nummer] medegedeeld en hem hiervoor een rapport van bevindingen aangezegd. Daarnaast bracht ik hem op de hoogte dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselveiligheid en Natuur, naar aanleiding van dit rapport van bevindingen een bestuurlijke boete kan opleggen.
Ik, de toezichthouder, heb de [maat van eiseres] medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Hierna verklaarde hij omstreeks 15:00 op 28-11-2024 het volgende met betrekking tot de bevindingen omtrent het rund met levensnummer [nummer]:
“Ik heb met mijn boerenhart gehandeld vanwege de blauwtong. Ze werd zwakker en gaf minder melk.”
De uitzonderingsbepalingen, zoals genoemd in de Verordening, zijn niet van toepassing.”

3.2 Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De houder op de plaats van vertrek liet een rund vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport omdat het een rund betrof die in de week ervoor geworpen had.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 8, eerste lid, gelet op Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder c, van de Transportverordening. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 1.500,-.

Beoordeling door de rechtbank

4 Eiseres voert aan dat zij normaal geen dieren afvoert na het kalven. Dit was een uitzonderlijke situatie doordat in die periode sprake was van een ernstige blauwtong besmetting waardoor eiseres alles op alles heeft gezet en gedaan om haar dieren er doorheen te krijgen. Eiseres wist niet dat dit voorschrift voor afvoer van runderen bestond en heeft gedaan wat op dat het moment het beste voor het dier was. Eiseres wordt nu achteraf, zonder dat een toezichthouder van de NVWA het dier ooit heeft gezien onevenredig gestraft. Verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing. Van een zware overtreding is geen sprake omdat het dier geen enkel letsel of iets dergelijks heeft opgelopen. De boete heeft eiseres enorm geraakt in haar integriteit. Bovendien hadden de maten al een zwakke gezondheid en hebben zij door dit alles nog meer emotionele schade opgelopen. Eiseres vraagt de rechtbank de boete om te zetten in een waarschuwing en verweerder op te dragen de door eiseres geleden immateriële schade te vergoeden.

4.1 Uit paragraaf 2, aanhef en onder c, van Bijlage I, hoofdstuk I, van de Transportverordening volgt dat een dier niet mag worden vervoerd als het in de week voor het vervoer geworpen heeft. Eiseres heeft een koe laten vervoeren die vier dagen eerder had geworpen. Dit wordt door eiseres ook niet betwist. Daarmee staat vast dat eiseres genoemd voorschrift van de Transportverordening heeft overtreden. Dat eiseres niet op de hoogte was van dit voorschrift maakt de mate waarin haar de overtreding kan worden verweten niet minder. Van een melkveehouder mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de regelgeving over de afvoer van dieren naar het slachthuis. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiseres niet wordt verweten dat zij de overtreding opzettelijk heeft begaan, maar eiseres had wel kunnen en moeten weten dat het vervoer van een koe binnen een week na het transport niet is toegestaan. De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke periode die de maten van eiseres hebben doorgemaakt toen er een blauwtongbesmetting op het bedrijf heerste. De aanwezigheid van de blauwtongbesmetting en de gestelde zwakke gezondheid van de maten zelf maken evenwel niet dat eiseres de overtreding niet kan worden verweten. Zo is niet gebleken dat het voor eiseres niet mogelijk was om de koe nog enige dagen langer op haar bedrijf te houden alvorens het dier naar het slachthuis te laten vervoeren.

4.2 Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren is verweerder bevoegd om voor deze overtreding een boete op te leggen. Hoe met die boetebevoegdheid wordt omgegaan is neergelegd in interventiebeleid, in dit geval het Specifiek interventiebeleid NVWA Dierenwelzijn tijdens transport. In de Bijlage van dit beleid staat dat de overtreding die hier aan de orde is wordt aangemerkt als klasse B omdat sprake is van een (risico op) ernstige aantasting van het dierenwelzijn, en dat voor deze overtreding direct een boete (en niet eerst een waarschuwing) wordt opgelegd. Verder is in de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 1.500,-. Verweerder heeft dus in overeenstemming met de regelgeving en zijn interventiebeleid een boete van € 1.500,- aan eiseres opgelegd.

4.3 De rechtbank ziet in dit geval ook geen reden waarom verweerder in afwijking van de regelgeving en zijn beleid had moeten volstaan met een waarschuwing of een lagere boete had moeten opleggen. Verweerder heeft – onder verwijzing naar een scientific opinion van de European Food Safety Authority – toegelicht dat bij een rund dat net geworpen heeft bepaalde banden nog verslapt zijn en dat een rund na het werpen zwakker is en minder stevig op haar poten staat. Dit maakt dat er een risico is dat de koe door het vervoer ernstig in haar welzijn wordt aangetast. Zo bestaat er een risico dat de koe laesies oploopt bij pogingen om in balans te blijven tijdens het vervoer en een risico dat de koe uitglijdt omdat zij minder stevig op haar poten staat. Dat dat risico zich niet heeft gerealiseerd, maakt de overtreding niet minder ernstig. Gelet op de aard en ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid, vindt de rechtbank de opgelegde boete van € 1.500,- in dit geval evenredig.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit, zodat er geen aanleiding is om een schadevergoeding toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

5 Het beroep is dus ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:88, eerste lid

De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;

c. het niet tijdig nemen van een besluit;

d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

Transportverordening

Artikel 8, eerste lid

De houders van dieren op de plaats van vertrek, overlading of bestemming zorgen ervoor dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1 met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden.

Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder c

1 Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.

2 Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:

wanneer het drachtige dieren betreft waarvan de draagtijd reeds voor 90 % of meer gevorderd is, of dieren die in de week ervoor geworpen hebben;

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

Artikel 8.7

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Artikel 8.8, eerste lid

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.

Regeling houders van dieren

Artikel 4.8

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…).

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.2, eerste en onder b, en derde lid

1 De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:

b. categorie 2: € 1500

3 Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2

De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.

Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Regeling houders van dieren Categorie

Artikel 4.8, voor zover dat artikel betrekking heeft op de artikelen 2

3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 12 alsmede Bijlagen I, II en IV, voor zover

genoemd in de genoemde artikelen, van verordening (EG) nr. 1/2005

Aangehaalde artikelen