Rb. Rotterdam 4 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9464

Varia, vovo, handhaving, last onder dwangsom en boete, geen spoedeisend belang. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoeken om een voorlopige voorziening. Daarvoor is allereerst redengevend dat het college op [datum] de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom heeft verlengd tot zeven weken nadat op het bezwaar is beslist. Verder heeft verzoeker geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Hij heeft geen (financiële) stukken overgelegd waaruit bijvoorbeeld blijkt van een dreigend faillissement of een acute (financiële) noodsituatie. Daarbij is van belang dat verzoeker het betaalde bedrag in beginsel na afloop van de bodemzaak van het college kan terugvorderen, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente, mocht verzoeker in bezwaar, of in beroep, alsnog in het gelijk worden gesteld. De voorzieningenrechter ziet daarom ook wat betreft de opgelegde boete geen noodzaak voor het treffen van een voorlopige voorziening.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/5187 en ROT 26/5188
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2026 in de zaken tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [bedrijf] uit [stad] , [land] ( [bedrijf] ).

Inleiding

1.1 Met het besluit van 21 januari 2026 (bestreden besluit I) heeft het college verzoeker een last onder dwangsom opgelegd voor het pand [adres] in [plaats] . Deze last houdt in dat verzoeker binnen drie maanden na dagtekening van dit besluit de illegale situatie in het pand dient te beëindigen en beëindigd te houden. Doet hij dit niet dan is hij een dwangsom verschuldigd van € 8.400,00.

1.2 Met een ander besluit van 21 januari 2026 (bestreden besluit II) heeft het college verzoeker een bestuurlijke boete opgelegd van € 4.000,00. Omdat volgens het college sprake is van recidive heeft het college het boetebedrag verhoogd naar € 8.000,00. Dit boetebedrag is gelijktijdig met het opleggen ervan bij verzoeker in rekening gebracht (ingevorderd).

1.3 Verzoeker heeft tegen bestreden besluit I op 24 januari 2026 bezwaar gemaakt. Bij e-mailbericht van 26 maart 2026 heeft verzoeker het college gevraagd om dit bezwaarschrift tevens aan te merken als bezwaar tegen bestreden besluit II.

1.4 Met de brief van 4 maart 2026 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot zeven weken na het besluit op bezwaar.

1.5 Met het besluit van 22 april 2026 (herstelbesluit) heeft het college het boetebedrag gewijzigd vastgesteld op € 4.000,00. Ten onrechte was aangenomen dat sprake was van recidive. De facturering is ongewijzigd gebleven.

1.6 Op 14 juni 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Omdat sprake is van twee afzonderlijke besluiten heeft de rechtbank twee (samenhangende) zaken aangelegd (ROT 26/5187 en ROT 26/5188, de verzoeken).

1.7 Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken kennelijk ongegrond zijn.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2 De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of als er geen acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat het spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

3 Verzoeker voert in dit verband het volgende aan. Het bezwaar heeft geen schorsende werking. De last onder dwangsom verplicht verzoeker daarom nog steeds om de vermeende illegale situatie te beëindigen en beëindigd te houden. Het college heeft de begunstigingstermijn weliswaar verlengd tot zeven weken na het besluit op bezwaar, maar daarmee is de druk op verzoeker nog niet weggenomen. Hij blijft verplicht om ingrijpende maatregelen voor te bereiden. Daarbij bestaat het risico dat de woon- en arbeidssituatie van de medewerkers van [bedrijf] moet worden doorbroken voordat een rechterlijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Daarnaast is de bestuurlijke boete van € 4.000,00 al bij verzoeker in rekening gebracht. Het college is niet bereid om de invordering van dit bedrag op te schorten totdat op het bezwaar is beslist. Inmiddels is het boetebedrag verhoogd met de aanmaningskosten (€ 525,00), tot een bedrag van € 4.525,00. Verzoeker heeft daarmee een actueel financieel en juridisch belang bij schorsing van de boete en met name de invordering ervan. Met zijn verzoek wil verzoeker ook voorkomen dat de kosten gedurende de bezwaarprocedure verder oplopen.

4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoeken om een voorlopige voorziening. Daarvoor is allereerst redengevend dat het college op 4 maart 2026 de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom heeft verlengd tot zeven weken nadat op het bezwaar is beslist. Met de brief van 24 juni 2026 heeft het college verzoeker bovendien bericht dat voor de behandeling van het bezwaar meer tijd nodig is en dat de beslistermijn daarom met zes weken wordt verlengd. Dat verzoeker desondanks een zekere druk ervaart en graag zo snel mogelijk (juridische) zekerheid krijgt is voorstelbaar, maar dat levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Hij kan het besluit op bezwaar gewoon afwachten.

5 Verder begrijpt de voorzieningenrechter uit verzoekers schriftelijke reactie van 14 juli 2026, waarin hij het spoedeisend belang nader heeft toegelicht, dat de spoedeisendheid voor hem met name ligt in het feit dat het college niet bereid is om te wachten met het invorderen van de boete tot op het bezwaar is beslist. Verzoeker heeft echter niet onderbouwd dat hij de boete (en eventuele bijkomende kosten) niet kan betalen. Verzoeker heeft desgevraagd geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Hij heeft ook geen (financiële) stukken overgelegd waaruit bijvoorbeeld blijkt van een dreigend faillissement of een acute (financiële) noodsituatie. Daarbij is van belang dat verzoeker het betaalde bedrag in beginsel na afloop van de bodemzaak van het college kan terugvorderen, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente, mocht verzoeker in bezwaar, of in beroep, alsnog in het gelijk worden gesteld. De voorzieningenrechter ziet daarom ook wat betreft de opgelegde boete geen noodzaak voor het treffen van een voorlopige voorziening.

6 Ondanks het ontbreken van een spoedeisend belang kan er aanleiding zijn alsnog een voorlopige voorziening te treffen. Bijvoorbeeld als (één van) de besluiten waartegen verzoeker opkomt evident onrechtmatig (is)/zijn. De voorzieningenrechter ziet in wat door verzoeker is aangevoerd echter geen grond voor het oordeel dat de bestreden besluiten evident onrechtmatig zijn. Ook in zoverre bestaat geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

7 De verzoeken zijn daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Aangehaalde artikelen