Rb. Rotterdam 10 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:7474

In deze gevoegde zaken vordert een advocaat betaling van zijn declaraties van de erven van zijn voormalig cliënt. Die vordering wordt afgewezen vanwege een destijds bij de cliënt bestaande geestesstoornis als gevolg waarvan de erven de opdrachtverstrekking aan de advocaat hebben vernietigd. Er bestaat daarom geen grondslag voor de vordering van de advocaat. In de andere procedure wordt de advocaat grotendeels veroordeeld in de daadwerkelijke proceskosten van de erven nu hij met zijn handelwijze onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en hen achteraf bezien op onnodige kosten heeft gejaagd. De procedure kent een aantal processuele verwikkelingen die hieronder eerst worden toegelicht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen