Rb. Rotterdam 8 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4310
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het als ambtenaar opzettelijk verduisteren van geld dat zij in haar bediening onder zich had (artikel 359 Wetboek van strafrecht). De verdachte heeft geld dat zij in haar bediening onder zich had opzettelijk aan de bestemming onttrokken. Of zij zich het geld wederrechtelijk wilde toe-eigenen, is daarbij niet relevant. Door het geld weg te nemen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het beschermde rechtsgoed; de juiste vervulling van het ambt. Niet vereist is dat het geld eerst in beslag moet zijn genomen voordat het aan de ambtelijke bestemming kan worden onttrokken. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur.
De uitspraak op rechtspraak.nl