Rb. Rotterdam 4 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2320

De rechtbank stelt vast dat gedaagde 1 geen derdenverklaring heeft afgelegd. Gedaagde 1, tegen wie verstek is verleend, wordt daarom op grond van artikel 477a lid 1 Rv veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd. Ook stelt de rechtbank vast dat gedaagde 2 een vordering heeft op gedaagde 1. De gevorderde verklaring voor recht wordt in aangepaste vorm toegewezen, omdat de curator als derdenbeslaglegger, wiens beslag de door hypotheek versterkte vordering van gedaagde 2 op gedaagde 1 heeft getroffen, niet alleen bij de verdeling profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden voorrang, maar ook de bevoegdheid heeft om het aan het hypotheekrecht verbonden recht van parate executie uit te oefenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken