Rb. Rotterdam 14 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1861
Arbeidsbemiddeling; zorgplicht opdrachtnemer; schending arbeidsrechtelijke wet- en regelgeving bij tewerkstelling uitzendkrachten; ABU-cao; Wet arbeid vreemdelingen (Wav); Wet aanpak schijnconstructies (WAS); Wet allocatie arbeid door intermediairs (Waadi); reële kans op strafbare arbeidsuitbuiting. Deze zaak betreft een geschil over de vraag wie van partijen toerekenbaar tekortgekomen is in de nakoming van een overeenkomst van opdracht tot werving van uitzendkrachten. De rechtbank oordeelt dat de opdrachtnemer toerekenbaar tekortgekomen is in de nakoming van de overeenkomst. Van de opdrachtnemer mocht redelijkerwijs worden verwacht dat hij ervoor zorgde en erop zou toezien dat de feitelijke tewerkstelling van de uitzendkrachten bij de opdrachtgever conform de arbeidsrechtelijke wet- en regelgeving geschiedde en dat hij bij de uitvoering van zijn taak zich het welzijn zou aantrekken van de via hem tewerkgestelde uitzendkrachten. Of - zoals de opdrachtnemer stelt - hijzelf niet gehouden zou zijn en ook niet de mogelijkheid zou hebben om de uitzendbureaus te controleren op de handhaving/inachtneming van de wetgeving doet niet ter zake, nu de opdrachtnemer zich uitdrukkelijk heeft verbonden dat bij de terbeschikkingstelling aan de toepasselijke regelgeving zou worden voldaan.Al dan niet ernstige vormen van nalatigheid van de door de opdrachtnemer ingeschakelde uitzendbureaus vallen daarom in zijn risicosfeer als opdrachtnemer. Of – zoals tussen partijen ter discussie staat – de opdrachtnemer kwalificeert als uitzendbureau, inlener of werkgever in de zin van bedoelde arbeidswetgeving – vanwege de feitelijke gang van zaken en de doelomschrijving in haar statuten – en al dan niet valt onder de reikwijdte van de Waadi, WAS en Wav, kan dan ook in het midden blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl