Rb. Rotterdam 14 oktober 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14305

Vordering voor het verlies van containers die voor vervoer zijn afgegeven en die tijdens het vervoer ook gebruikt werden voor vervoer van lading. De rechtbank kwalificeert de overeenkomst als een gemengde overeenkomst van vervoer en bruikleen. De verjaringstermijn van de vervoerovereenkomst prevaleert, waardoor de vorderingen zijn verjaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer / rolnummer: C/10/714997 / HA ZA 26-156
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
CHS CONTAINER HANDEL GMBH,
te Bremen (Duitsland),
eisende partij,
advocaat: mr. J.S. Mennema en mr. B.T. Verdam,
tegen
ORANGE CONTAINER LINE B.V.,
te Vleuten, gemeente Utrecht, kantoorhoudend te Rhoon,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.L. Latten.
Partijen worden hierna aangeduid met CHS en OCL.

1 De zaak in het kort

CHS spreekt OCL aan voor het verlies van containers die zij aan OCL heeft afgegeven voor het vervoer naar een depot van CHS in China. Partijen debatteren over de vraag of sprake is van een huurovereenkomst of een vervoerovereenkomst. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een gemengde overeenkomst van vervoer en bruikleen. De verjaringstermijn van de vervoerovereenkomst prevaleert in dit geval, wat ertoe leidt dat de vorderingen van CHS zijn verjaard.

2 De procedure

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 augustus 2025, met producties 1 tot en met 44;
- de akte houdende wijziging van eis van CHS;
- het vonnis in het bevoegdheidsincident van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het exploot houdende oproeping na verwijzing ex artikel 221 Rv;
- de conclusie van antwoord, met productie 2;
- de akte overlegging producties van CHS, met producties 51 tot en met 55;
- de akte overlegging productie van OCL, met productie 3;
- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026.

2.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1 CHS is een internationale leverancier van zeecontainers.

3.2 OCL is een zeevrachtvervoerder zonder eigen schepen (een ‘non-vessel operating common carrier’).

3.3 CHS en OCL deden regelmatig zaken met elkaar via het digitale platform Container xChange. Dit platform koppelt leveranciers, zoals CHS, die containers willen vervoeren van een overschotlocatie naar een tekortlocatie, aan gebruikers van containers, zoals OCL. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een gestandaardiseerde overeenkomst (hierna: Interchange Overeenkomst).

3.4 OCL heeft CHS per e-mail van 11 oktober 2021 verzocht om hun samenwerking buiten het platform om voort te zetten, omdat zij haar maximale aantal containers op het Container xChange-platform had bereikt. CHS is hiermee akkoord gegaan.

3.5 Op een gegeven moment heeft CHS geconstateerd dat er in het kader van de onder 3.4 genoemde samenwerking aan OCL afgegeven containers ontbraken in haar depot. Zij heeft OCL hiervoor aansprakelijk gesteld.

4 Het geschil

4.1 CHS vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
OCL veroordeelt tot betaling van USD 171.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
OCL veroordeelt tot betaling van USD 66.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
OCL veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure.

4.2 OCL voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CHS, met veroordeling van CHS – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

5 De beoordeling

Bevoegdheid en het toepasselijke recht

5.1 Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat CHS in Duitsland is gevestigd en OCL in Nederland. In het incidentele vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2026 is al geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis. De rechtbank Rotterdam is relatief bevoegd op grond van artikel 625 Rv, omdat naar het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland aan de vorderingen van CHS een overeenkomst voor vervoer van goederen over zee ten grondslag ligt.
De rechtbank zal daarom (alleen) het toepasselijke recht vaststellen. Partijen hebben in dat kader een processuele rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht.

Standpunten van partijen

5.2 CHS grondt haar vorderingen op Deel 2, artikel 14 van de Interchange Overeenkomst en de artikelen 7:218 en 7:219 BW en stelt daartoe, samengevat, het volgende.

5.2.1 Tussen partijen is, in tegenstelling tot wat de rechtbank Midden-Nederland heeft geoordeeld in het incidentele vonnis, sprake van een huurovereenkomst. De huur geschiedde volgens de bestendige werkwijze tussen partijen: een voortzetting van hun werkwijze via Container xChange. CHS stelde als verhuurder containers ter beschikking aan OCL. OCL heeft deze containers mogen gebruiken voor (zee)vervoer van lading, met als tegenprestatie het na gebruik inleveren van deze containers op het daarvoor door CHS aangewezen depot (op een tekortlocatie) in China. De overeenkomst tussen partijen vindt haar oorsprong in de Interchange Overeenkomst van het xChange platform. Hieruit volgt (ook) dat partijen huur voor ogen stond, omdat de Interchange overeenkomst de rechtsverhouding nadrukkelijk als ‘lease’ beschrijft.

5.2.2 Van de containers die CHS aan OCL heeft verhuurd zijn er 68 vermist geraakt (49 containers uit Duisburg en 19 containers uit Antwerpen en Rotterdam). OCL heeft niet kunnen bewijzen, door middel van het verstrekken van de retourleveringsbewijzen (‘EIR’), dat zij de containers daadwerkelijk heeft ingeleverd. Daarom is OCL aansprakelijk voor het verlies van de containers. Uit de Interchange Overeenkomst volgt dat de vervangingswaarde USD 3.500 per 40ft HC-container is.

5.3 OCL betwist dat sprake is van een huurovereenkomst en voert aan dat sprake is van een vervoerovereenkomst in de zin van artikel 8:20 en 8:370 BW. OCL voert daartoe, samengevat, het volgende aan.

5.3.1 De kern van de overeenkomst tussen partijen wordt (alleen) weergegeven door de e-mails van oktober 2021. Deze overeenkomst kwalificeert, conform het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland, als een vervoerovereenkomst. OCL heeft zich tegenover CHS verbonden om containers te vervoeren van Europa naar China tegen betaling van een vrachtprijs, te weten de ‘pick up fee’. Daarnaast hebben partijen afgesproken dat OCL de containers in dezelfde staat zou afleveren als waarin zij deze heeft ontvangen conform artikel 8:21 BW en maakte CHS in geval van vertraging aanspraak op demurrage, te weten de ‘per diem’ kosten na verloop van 75 ‘free days’. Dat geen sprake is van een huurovereenkomst volgt uit het gegeven dat door CHS geen huurpenningen als tegenprestatie in de zin van artikel 7:201 BW werden gefactureerd.

5.3.2 De kwalificatie van de overeenkomst als een vervoerovereenkomst leidt ertoe dat er een verjaringstermijn van één jaar van toepassing is en dat de vorderingen van CHS zijn verjaard.
De rechtbank kan terugkomen op de kwalificatie van de overeenkomst in het incidentele vonnis

5.4 Partijen twisten over de vraag of kan worden teruggekomen op de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland om de overeenkomst tussen partijen te kwalificeren als een vervoerovereenkomst. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en wel om de volgende reden.

5.5 Het klopt dat, zoals door OCL is aangevoerd, een rechter in beginsel, voor zover geen sprake is van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, aan een bindende eindbeslissing uit een tussenvonnis is gebonden. Beslissingen die in het kader van de beantwoording van de bevoegdheidsvraag moeten worden genomen over punten die ook daarbuiten een rol spelen vormen echter een uitzondering op die regel. Die beslissingen binden de rechter buiten genoemd kader niet. Daarom wordt de kwalificatie van de overeenkomst hierna op basis van de in de hoofdzaak door partijen aangevoerde stellingen en overgelegde stukken beoordeeld.

Er is sprake van een gemengde overeenkomst van vervoer en bruikleen

5.6 De rechtbank oordeelt dat sprake is van een gemengde overeenkomst van vervoer en bruikleen en overweegt daartoe als volgt.

De uitleg van de overeenkomst

5.7 Voordat de overeenkomst kan worden gekwalificeerd, dient de inhoud van de overeenkomst tussen partijen te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex maatstaf. Er dient daarbij gekeken te worden naar wat partijen over en weer in redelijkheid mochten verwachten over wat tussen hen is overeengekomen. Bij de uitleg moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval.

5.8 Niet in geschil is dat partijen eerst zaken hebben gedaan via het Container xChange platform en dat zij vervolgens, omdat OCL haar maximale aantal containers via het platform had bereikt, verder zijn gegaan, zoals overeengekomen in e-mails van 11 oktober 2021. In deze e-mails tussen [persoon A] , namens CHS, en [persoon B] , namens OCL, wordt het volgende vermeld:
OCL: “Received your request on Xchange to increase the release from antwerp to 200x40ft hc. Meanwhile we have reached our limit of 1000 units on xchange.
Can we work on requests outside of Xchange?”
CHS: “no issues like that, but please keep in mind, we both like the "old school" Partner relationship….and trustful, when we have claims afterwards, then we must manage it and your customer must pay for that, without big discussions.
Further, no issues to increase and follows the difference from 150 to 200 here in outlook.”
OCL:
“Trust is where our company and the group is built on, any damage caused by the cargo can be collected locally in China, if any issues with collection we will take up with our client and solve it, guaranteed.
Also if you don't mind, after our first deals I would like to visit you so we both know who our partner is.
If I understand correctly total ex Antwerp 200x40ft hc
Drop off : Qingdao
Release ref: [nummer 1]
Pickup depot Progeco Antwerp, [adres] .
75 days free, thereafter Usd 2.5 per day.
DPP Usd 100/40ft hc”
CHS:
“okay, maybe you can cancel all deals via xchange and we work only on this stage. what Do you think?
200x 40' HC from Antwerp / [nummer 2]
75x 40' HC from Duisburg / [nummer 3]
75x40' HC from Rotterdam / [nummer 4] ”
OCL:
“Ok, let’s keep it off from Xchange.
If you can forward us the releases from below 3 location we will start planning.”
CHS:
“okay, see as follows…”
OCL:
“Well received, Depots will be:
Antwerp : CCIS/Progeco Antwerp
Rotterdam : CCIS/Progeco Rotterdam
Duisburg : D3T Duisburg
Also import to have it on record aswell:
Pickup fee from Rotterdam/Antwerp : Usd 750/40ft
Pickup fee from Duisburg area: Usd 500/40ft”
CHS:
“Confirmed”

5.9 Uit deze e-mails blijkt onder meer het volgende. OCL diende 200 containers van CHS op te halen in Antwerpen, 75 in Duisburg en 75 in Rotterdam. De containers uit Antwerpen en Rotterdam moesten worden afgeleverd bij het depot van CHS in Qingdao (China) en de containers uit Duisburg bij het depot van CHS in Xiamen (China). Hiervoor ontving OCL een ‘pick up fee’: voor de containers uit Rotterdam en Antwerpen een bedrag van USD 750,00 per container en voor de containers uit Duisburg USD 500,00 per container. De ‘pick up fee’ betreft, anders dan de naam doet vermoeden, niet alleen een vergoeding voor het ophalen van de containers, maar vooral voor het (weer) inleveren ervan. Zoals volgt uit wat door CHS is aangevoerd, was het doel voor het aangaan van de samenwerking voor de leveranciers immers om de containers (weer) op een locatie te krijgen waar een tekort was aan containers.

5.10 De containers mochten door OCL gebruikt worden om lading in te vervoeren gedurende de periode tussen het ophalen en het inleveren van de containers. Partijen hebben een aantal vrije dagen afgesproken waarna CHS een dagprijs in rekening bracht bij OCL voor het gebruik van de containers. Uit de e-mails van oktober 2021 volgt dat voor containers uit Antwerpen een periode van 75 vrije dagen (‘free days’) gold met (na verloop van die periode) een dagprijs (‘per diem’ kosten) van USD 2,50. Uit de door CHS in het geding gebrachte facturen voor ‘per diem’ kosten volgt dat, zoals de rechtbank het begrijpt, voor containers uit Rotterdam (en mogelijk Duisburg) een periode van 100 vrije dagen gold waarna een dagprijs van USD 6,50 in rekening werd gebracht. Dit is tussen partijen niet in geschil. Wel twisten partijen over de bedoeling van deze afspraak. Volgens CHS moet de dagprijs worden gezien als een vergoeding voor het gebruik van de containers. OCL heeft aangevoerd dat het de bedoeling was dat zij de containers binnen 75 of 100 dagen inleverde bij het depot van CHS en dat de dagprijs daarom moet worden gezien als ‘demurrage’, wat door OCL wordt omschreven als een vergoeding die doorgaans in het vervoer over zee van containers verschuldigd is als containers niet binnen een overeengekomen vrije-dagen-periode zijn ingeleverd. Dat het de bedoeling was dat de containers binnen 75 of 100 dagen moesten worden ingeleverd wordt door CHS weersproken.

5.11 De rechtbank volgt OCL op dit punt en overweegt daartoe als volgt. Wat OCL beschrijft sluit beter aan bij de term ‘detention’. Demurrage is de vergoeding die gewoonlijk verschuldigd is aan de vervoerder indien een (geladen) container op de terminal blijft staan en niet binnen de afgesproken ‘free time’ door de ontvanger wordt opgehaald, terwijl detention doorgaans verschuldigd is in het geval een container is opgehaald van de terminal, maar niet tijdig (leeg) is ingeleverd. Het in rekening brengen van detention is de prikkel voor de ladingbelanghebbende om de container tijdig leeg te retourneren. In dit geval is de container niet alleen het hulpmiddel om lading in te vervoeren, maar is deze tegelijkertijd zelf ‘de lading’ die tijdig leeg geretourneerd dient te worden. Het doel van de samenwerking met OCL was voor CHS immers, zoals hiervoor overwogen, om de containers (uiteindelijk) op de tekortlocatie te krijgen. Daarom moet de overeenkomst op dit punt zo worden uitgelegd dat CHS, om tijdige aflevering te bewerkstelligen, vanaf 75 of 100 dagen een dagprijs in rekening bracht. Dit is vergelijkbaar met detention kosten. Dat OCL de containers niet altijd binnen 75 of 100 dagen afleverde, zoals blijkt uit de door CHS overgelegde facturen van 18 september 2023 en 5 oktober 2023, maakt dit niet anders. Dat het de bedoeling is om de containers af te leveren binnen de genoemde termijn, betekent niet dat dit een verplichting is. Het was de bedoeling van partijen dat OCL de containers binnen 75 of 100 dagen op de afgesproken locatie afleverde.

De kwalificatie van de overeenkomst

5.12 Het voorgaande leidt ertoe dat de overeenkomst tussen CHS en OCL elementen heeft van een vervoerovereenkomst (artikel 8:370 lid 1 BW). Er is immers sprake van een resultaatsverbintenis waarbij OCL (de vervoerder) zich tegenover CHS (de afzender) verbindt zaken (de containers) onbeschadigd naar een bepaalde bestemming te vervoeren tegen betaling van een prijs (‘pick up fee’) door CHS. De rechtbank gaat dus niet mee in de stelling van CHS dat sprake is van een huurovereenkomst, waarbij het ophalen en afleveren van de containers als tegenprestatie geldt aan de zijde van OCL voor het mogen gebruiken van de containers voor het vervoeren van lading. Deze redenering klopt namelijk niet met het gegeven dat OCL voor haar prestatie (het ophalen en afleveren) een vergoeding ontving in de vorm van de ‘pick up fee’, wat betekent dat er voor het mogen gebruiken van de containers (dus) geen tegenprestatie is overeengekomen. Op grond van artikel 7:201 lid 1 BW is een tegenprestatie vereist om van een huurovereenkomst te spreken. Verder is het bij de kwalificatie van een overeenkomst niet relevant welke termen door partijen zelf zijn gebruikt en of partijen zelf huur voor ogen hadden bij het aangaan van de overeenkomst (dit laatste is door CHS gesteld en door OCL betwist). Dat het xChange platform de rechtsverhouding tussen partijen nadrukkelijk als ‘lease’ omschrijft is dus niet van belang. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van een huurovereenkomst. Dat is hier niet het geval.

5.13 Daarnaast heeft de overeenkomst ook een element van bruikleen (artikel 7A:1777 BW). OCL mocht de containers tijdens het vervoer namelijk gebruiken voor vervoer van lading zonder dat daar een prestatie tegenover stond. De vervoersverplichtingen kunnen niet los worden gezien van de verplichtingen onder de bruikleenovereenkomst. Zo geldt de verplichting van OCL om de containers onbeschadigd bij CHS af te leveren onder beide overeenkomsten. Dit maakt dat de overeenkomst niet in twee van elkaar onafhankelijke overeenkomsten kan worden gesplitst en sprake is van een gemengde overeenkomst in de zin van artikel 6:215 BW.

De vorderingen van CHS zijn verjaard

5.14 Het meest verstrekkende verweer van OCL is haar beroep op verjaring (artikel 8:1711 jo 8:1714 aanhef en onder b BW).

5.15 Omdat sprake is van een gemengde overeenkomst zijn de voor de vervoerovereenkomst en bruikleenovereenkomst gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing zijn, behoudens voor zover de bepalingen niet verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet. Voor zover bepalingen, geldend voor de onderscheiden soorten overeenkomsten, niet met elkaar te verenigen zijn, dient door uitleg van de gemengde overeenkomst te worden beoordeeld welke bepaling in het concrete geval dient te prevaleren, wat ertoe zou kunnen leiden dat bepalingen van dwingend recht buiten toepassing moeten worden gelaten.
Zoals hiervoor vermeld geldt zowel onder de vervoer- als de bruikleenovereenkomst de verplichting zijdens OCL om de containers onbeschadigd bij de depots van CHS af te leveren. De verjaringstermijn voor een vordering met betrekking tot het vervoer is echter één jaar, terwijl de verjaringstermijn voor bruikleen vijf jaar is. De rechtbank zal daarom vaststellen welke overeenkomst (en welke verjaringstermijn) in dit geval dient te prevaleren.

5.16 De rechtbank oordeelt dat in dit geval de vervoerovereenkomst prevaleert. Dat OCL niet zou hebben voldaan aan haar verplichting om de containers bij de tekortlocatie af te leveren, zoals door CHS gesteld, ligt naar het oordeel van de rechtbank namelijk meer in de ‘vervoerssfeer’ van de overeenkomst dan in de ‘gebruikssfeer’. Voor CHS was het van belang dat haar containers van een overschot- naar een tekortlocatie zouden worden vervoerd. Hier betaalde zij de ‘pick up fee’ voor. De aflevering is dus het hoofdkenmerk onder de vervoerovereenkomst. OCL mocht de containers in de periode tussen het ophalen en het afleveren in gebruik nemen. Op het moment dat zij de containers afleverde dienden de containers leeg en onbeschadigd te zijn. Onder de bruikleenovereenkomst ligt de nadruk in dit geval daarom op het onbeschadigd afleveren, terwijl de nadruk onder de vervoerovereenkomst op het afleveren ligt.

5.17 Dit betekent dat voor de vorderingen naar aanleiding van de gestelde tekortkoming van OCL de verjaringstermijn onder de vervoerovereenkomst van toepassing is. Dat de éénjarige termijn van artikel 8:1711 BW van toepassing is onder de vervoerovereenkomst is niet door CHS betwist. Dit is naar het oordeel van de rechtbank ook het geval. De containers zouden worden vervoerd van Nederland, België of Duitsland naar depots van CHS in China door middel van zeevervoer, zoals door OCL aangevoerd en niet door CHS weersproken. Zowel onder de Hague-Visby Rules, in het geval een cognossement is afgegeven voor het vervoer (wat niet bekend is), als onder Nederlands recht, in het geval geen cognossement of vergelijkbaar verhandelbaar waardepapier is afgegeven, geldt in beginsel een verjaringstermijn van één jaar voor het vervoer van goederen over zee.

5.18 Partijen twisten over de vraag wanneer de verjaringstermijn is aangevangen. Volgens artikel 8:1714 aanhef en onder b BW vangt deze aan op de dag volgende op de dag waarop de aflevering plaats had moeten vinden. Partijen hebben geen concrete afleverdatum afgesproken. Wel was het de bedoeling, zoals onder 5.11 geoordeeld, dat OCL de containers binnen 75 of 100 dagen af zou leveren bij de (tekort)locatie van CHS. De rechtbank volgt OCL daarom op dit punt en oordeelt dat de verjaringstermijn is aangevangen na 75 of 100 dagen na het ophalen van de containers. Niet in geschil is dat alle containers tussen oktober 2021 en maart 2022 zijn opgehaald in Duisburg, Antwerpen of Rotterdam. CHS heeft in december 2023 voor het eerst navraag gedaan naar vermiste containers. Dit betekent dat de vorderingen van CHS zijn verjaard.

Conclusie

5.19 Voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van CHS worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

5.20 De rechtbank veroordeelt CHS als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) van OCL. De rechtbank begroot de proceskosten van OCL op:
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat € 5.770,00 (2 punten x tarief VI € 2.885,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals genoemd in de beslissing) +
Totaal € 12.820,00

5.21 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1 wijst de vorderingen van CHS af;

6.2 veroordeelt CHS in de proceskosten van € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als CHS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

6.3 veroordeelt CHS in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

6.4 verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
3597/1573

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken