Rb. Rotterdam 17 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14246
verlenging van een ondertoezichtstelling en een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/724749 / JE RK 26-1597
Datum uitspraak: 17 september 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging van een ondertoezichtstelling en een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland 1],
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2022 in [geboorteplaats 4] , [geboorteland 2],
hierna te noemen: [minderjarige 4] ,
[minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2023 in [geboorteplaats 5] ,
hierna te noemen: [minderjarige 5] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen de moeder en de vader, samen te noemen: de ouders,
de moeder zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
de vader ingeschreven in de Basisregistratie Personen op een bij de rechtbank bekend adres
gelegen in het arrondissement [locatie] ,
de ouders feitelijk verblijvende in Duitsland,
advocaat mr. A.T. Bol, kantoorhoudende in Rotterdam.
De rechtbank merkt als informanten aan:
[gezin ouder 1] en [gezin ouder 2],
hierna te noemen: de gezinshuisouders van [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[gezin ouder 3] en [gezin ouder 4],
hierna te noemen: de gezinshuisouders van [minderjarige 3] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1 Het verloop van de procedure
1.1 De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 5 augustus 2026, ontvangen op 12 augustus 2026;
de brief van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 8 september 2026, ontvangen op 10 september 2026;
het verweerschrift met bijlagen van mr. A.T. Bol van 11 september 2026, ontvangen op 11 september 2026;
de schriftelijke verklaring van de gezinshuisouders van [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , ontvangen van de GI op 16 september 2026;
de pleitnota van mr. A.T. Bol, die tijdens de zitting is overgelegd en is voorgedragen.
1.2 De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders en hun advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
1.3 Bijzondere toegang is verleend aan [persoon A] , werkzaam bij de GI.
1.4 De gezinshuisouders van [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] en de gezinshuisouders van [minderjarige 3] zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen. In hun verklaring hebben de gezinshuisouders van [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] aangegeven dat zij niet ter zitting aanwezig zullen zijn.
2 De feiten
2.1 De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
2.2 [minderjarige 1] verblijft op een groep binnen een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven in verschillende gezinshuizen.
2.3 Bij beschikking van 22 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengd tot 23 september 2026.
2.4 Bij beschikking van 22 juli 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 23 september 2026 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 23 september 2026.
3 Het verzoek
3.1 De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
4.1 De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
Op 16 september 2026 heeft een evaluatiegesprek met Family Supporters en de ouders plaatsgevonden over de omgang met de kinderen. De laatste bezoeken tussen de ouders en de kinderen zijn positief en ontspannen verlopen. De ouders staan open voor de feedback die zij krijgen en passen deze ook toe. Het lukt de ouders beter om structuur aan de kinderen te bieden en zij spreken de kinderen ook passender aan. Daardoor is een uitbreiding van de omgang mogelijk. Daarbij kan bijvoorbeeld ook de locatie van de bezoeken worden aangepast, voor bijvoorbeeld het schieten van oorbellen, zoals door de ouders eerder verzocht.
Sinds de bezoeken bij de kinderboerderij plaatsvinden, hebben de kinderen volgens de gezinshuisouders minder hersteltijd na de bezoeken nodig en kijken zij meer uit naar de bezoeken met de ouders. Wel zijn de ouders helaas twee keer te laat verschenen voor de bezoeken. De ouders geven aan dat het vanwege hun werk niet lukt om op tijd te kunnen vertrekken. Vanwege hun woonplaats in Duitsland en de reisafstand willen de ouders dat de bezoeken richting de Duitse grens plaatsvinden. De GI acht dit voor de kinderen echter te belastend. De ouders hebben moeite om vanuit het perspectief van de kinderen te denken. De ouders hebben meer draagkracht om voor de bezoeken te reizen dan de kinderen. De ouders zeggen ook meer omgang met de kinderen te willen. De GI heeft aangegeven dat zij daarvoor een concreet plan moeten indienen zodat kan worden bekeken wat voor de kinderen mogelijk is.
De ouders hebben eerder aan de GI aangegeven dat zij niet willen meewerken aan het NIKA-traject. Tijdens het evaluatiegesprek op 16 september 2026 en tijdens het eerdere evaluatiegesprek medio juli 2026 hebben de ouders aangegeven dat zij inmiddels wel daaraan zouden willen meewerken, maar dat zij eerst met hun advocaat wilden overleggen. Daardoor is het NIKA-traject nog niet gestart.
Onlangs is het perspectiefonderzoek bij de William Schrikker Gezinsvormen (hierna: WSGV) gestart. Dit onderzoek bevindt zich in de eerste fase. Het tweede gesprek is vanwege ziekte van de moeder afgezegd. De WSGV is bezig met een analyse van het dossier. Vervolgens wordt een onderzoeksplan opgesteld. Daarbij zal de interactie tussen de ouders en de kinderen worden geobserveerd.
Drie weken geleden heeft de GI van de politie informatie ontvangen, waaruit blijkt dat een vrouw op het adres van de vader in Schiedam staat ingeschreven en dat deze vrouw heeft aangegeven dat zij zwanger is, dat zij een relatie met de vader heeft en dat zij van plan zijn om te trouwen. Nadat de GI deze informatie met de moeder heeft gedeeld, heeft zij aangegeven dat de relatie van de ouders is beëindigd, dat zij op vriendschappelijke basis met elkaar verder gaan en samen de omgang met de kinderen willen voortzetten. Er is geen sprake meer van een liefdesrelatie tussen de ouders. Dit is een verdrietige ontwikkeling.
Naar aanleiding van de aangifte die door de GI is gedaan zullen de ouders een uitnodiging voor het verhoor bij de politie ontvangen. Daarover is bij de GI nog geen nadere informatie bekend.
In afwachting van het perspectiefonderzoek is naar de mening van de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing in duur zou kunnen worden beperkt tot drie tot zes maanden om te bezien wat dan de stand van zaken is ten aanzien van het perspectiefonderzoek.
De ouders hebben aangegeven dat de kinderen bij [zorg instelling] geplaatst moeten worden zodat zij bij elkaar kunnen verblijven. [zorg instelling] biedt echter uitsluitend residentiële zorg op groepen. De kinderen ervaren een stabiele basis in de gezinshuizen en op de groep. De GI acht het dan ook niet in het belang van de kinderen om nu te verhuizen.
De gezinshuisouders willen in contact met de ouders komen en willen het geloof van de ouders in het dagelijks leven van de kinderen betrekken. Ook willen de gezinshuisouders foto’s van de ouders op de kamers van de kinderen plaatsen. De foto’s die tijdens de bezoeken worden gemaakt worden echter niet gedeeld door de ouders. [minderjarige 2] wil haar kamer in het gezinshuis aan de ouders laten zien, maar de ouders willen dat niet omdat zij geen vertrouwen in het gezinshuis hebben. Het is verdrietig voor de kinderen dat de ouders niet inzien dat zij hiermee het de kinderen onnodig moeilijk maken.
4.2 Namens de ouders heeft hun advocaat - met ter zitting overgelegde pleitaantekeningen en in het verweerschrift - primair verzocht om de GI in het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om de duur van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot drie maanden, in afwachting van een concreet stappenplan, en te bepalen dat de kinderen bij [zorg instelling] worden geplaatst, nu de GI in het verzoek de categorie van de machtiging niet heeft vermeld. Ter zitting is verder namens de ouders het volgende, zakelijk samengevat, aangevoerd. Er is sprake van ernstige tekortkomingen in het verzoek van de GI. De rechtbank dient de toetsingsbrief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) buiten beschouwing te laten. Dit stuk is immers te laat ingediend. Daardoor heeft de advocaat de brief van de Raad nog niet met de ouders kunnen bespreken. De door de GI bij de Raad ingediende stukken zijn bovendien summier en eenzijdig. Zo ontbreekt het beroepschrift van de ouders en de informatie van Care4All en heeft de Raad het standpunt van de GI geheel in de brief overgenomen. De conclusie van de Raad is ongebruikelijk en het advies is onbruikbaar. Daarbij is ook gewezen op een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 9 april 2021: ECLI:NL:RBNNE:2021:1219.
Het verzoek is door de GI onvoldoende onderbouwd en bevat onvoldoende gronden. De GI heeft de concrete ernstige ontwikkelingsbedreigingen per kind onvoldoende gesteld dan wel onderbouwd. De GI heeft weinig tot geen vaststaande feiten in het verzoek aangevoerd. Het belang van de kinderen is gelijk aan dat van de ouders. De ouders willen hun kinderen terug en de kinderen willen terug naar de ouders. Het uitgangspunt is dat kinderen bij hun ouders thuis horen ‘tenzij’. De ‘tenzij’ is echter niet komen vast te staan. Speltherapie kan vanuit de thuissituatie worden geboden. Daarvoor is geen ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing nodig. De inzet van het traject bij Yulius, het NIKA-traject alsmede het perspectiefonderzoek is in deze procedure niet relevant. Het duurt nog zes tot negen maanden voordat de ouders in het kader van het strafrechtelijk onderzoek door de politie worden gehoord. Ook dat is geen grond voor de ondertoezichtstelling. Daar komt bij dat er de afgelopen twee jaren niets is gedaan om aan een thuisplaatsing te werken. Ook zijn er geen duidelijke stappen geformuleerd om tot een thuisplaatsing te komen. Uit niets blijkt dat de kinderen niet naar huis terug kunnen. Het is ook de vraag hoe serieus de uitspraken van [minderjarige 1] moeten worden genomen nu zij bij herhaling niet de waarheid blijkt te vertellen.
Vanwege de warme liefdevolle band tussen de ouders en de kinderen is het noodzakelijk om de kinderen zo snel mogelijk met de ouders te herenigen voordat nog meer schade wordt aangericht.
Al een lange periode vragen de ouders om uitbreiding van de omgang met de kinderen. Zij zijn bereid om daaraan mee te werken. De ouders hebben echter een lange reistijd naar de bezoeken en er is sprake van files.
4.3 Daarnaar gevraagd heeft de moeder ter zitting verklaard dat de door de GI ter zitting verstrekte informatie over de relatie van de ouders juist is. Zij betreurt het dat de GI de moeder niet zelf in de gelegenheid heeft gesteld om deze informatie tijdens de zitting naar voren te brengen. De moeder sluit zich verder aan bij hetgeen door de advocaat namens ouders naar voren is gebracht; zij wil de kinderen zo snel mogelijk weer thuis bij haar hebben; dat is, aldus de moeder, in hun belang.
4.4 Daarnaar gevraagd heeft de vader ter zitting verklaard dat hij zich, nu ouders de relatie hebben verbroken, in de omgeving van de moeder zal vestigen zodat hij bij de kinderen betrokken blijft. De vader maakt duidelijk dat hij niet de vader van het ongeboren kind van de vrouw in Schiedam is. Hij sluit zich verder net als de moeder aan bij hetgeen door de advocaat is gemeld; de kinderen horen thuis bij de moeder.
5 De beoordeling
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de GI
5.1 De advocaat heeft namens de ouders gesteld dat de GI niet-ontvankelijk is in het verzoek, nu het verzoekschrift niet aan de formele vereisten voldoet.
Zo heeft de GI het advies van de Raad overeenkomstig artikel 1:265j lid 3 BW niet gelijktijdig met het verzoekschrift ingediend. Ook is namens de ouders gesteld dat het verzoek van de GI voor de ouders onduidelijk is. Zo heeft de GI in het petitum van het verzoekschrift niet aangegeven welke type machtiging wordt verzocht en of een verlenging van de maatregelen wordt verzocht voor alle kinderen. Ook blijkt uit het verzoekschrift onvoldoende op welke gronden het berust. Als daarop toch zou worden beslist, zou dit in strijd komen met de eisen van de goede procesorde, omdat de ouders dan niet in de gelegenheid zijn gesteld om deugdelijk verweer te voeren. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
5.2 De rechtbank gaat aan het verweer voorbij. Het is juist dat de GI het advies van de Raad niet gelijktijdig met het verzoekschrift heeft ingediend. De GI heeft dit verzuim echter hersteld door de indiening van het advies van de Raad van 8 september 2026 op 10 september 2026, ruim een week voor de zitting. Wat betreft het petitum van het verzoekschrift heeft de GI tijdens de zitting toegelicht dat het verzoek betrekking heeft op alle kinderen en dat verzocht wordt om de huidige machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen, zoals ook uit het lichaam van het verzoekschrift naar voren komt. Naar het oordeel van de rechtbank kon dit voor de ouders ook duidelijk zijn gezien de eerdere zitting en de daarop gegeven beschikking van de meervoudige kamer van 22 juli 2026. Datzelfde geldt als het gaat om de gronden van het verzoek. Gelet daarop hebben de ouders naar het oordeel van de rechtbank voldoende de gelegenheid gehad om zich deugdelijk te verweren. Dat dit zo is blijkt ook uit het feit dat de advocaat namens de ouders reeds op 11 september 2026 een uitvoerig verweerschrift bij de rechtbank heeft ingediend.
5.3 Gelet op al het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de GI ontvankelijk is in het verzoek. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat de GI het opstellen van het verzoekschrift zorgvuldiger had kunnen zijn, in het bijzonder als het gaat om het petitum. Zo had het op de weg van de GI gelegen om daarin aan te geven dat verzocht wordt om verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen voor alle kinderen, zoals ook in de kop van het verzoek is vermeld, onder vermelding van de categorie van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing.
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing
5.4 Namens de ouders heeft de advocaat, kort samengevat, gesteld dat het verzoek door de GI onvoldoende met nadere stukken is onderbouwd en daarmee niet aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is voldaan. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
5.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de GI het verzoek ter zitting voldoende nader toegelicht en de gronden van het verzoek ook voldoende onderbouwd en aangevuld. De rechtbank houdt ook hierbij rekening met de eerdere zitting en de daarop gegeven beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank op 22 juli 2026.
5.6 De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en legt hieronder uit waarom.
5.7 Zoals door de rechtbank is overwogen onder rechtsoverweging 6.2 in de beschikking van 22 juli 2026, zijn er nog steeds forse zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen bij de ouders. Het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van de GI over uitspraken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] - dat in de situatie bij de ouders sprake is geweest van verwaarlozing, mishandeling, blootstelling aan huiselijk geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen de ouders - is nog niet afgerond. Daar komt bij dat de kinderen signalen laten zien die wijzen op spanning en/of trauma en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog geen behandeling hebben gekregen.
Daarbij heeft de rechtbank wat betreft [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] acht geslagen op de van de GI op 16 september 2026 ontvangen schriftelijke verklaring van de gezinshuisouders over dat wat zij bij aanvang van de plaatsing hebben geconstateerd als het gaat om hun gedrag, dat gezien hun beschrijving daarvan zorgelijk te noemen was. Inmiddels zijn alle drie de meisjes meer tot rust gekomen.
Ten aanzien van [minderjarige 1] komt uit de stukken naar voren dat zij gedrag laat zien dat samenhangt met spanning en emoties. Zij reageert op spanning door zich terug te trekken, conflicten op te zoeken en gedrag te laten zien waarbij zij grenzen test. De bezoeken met de ouders brengen zichtbaar spanning met zich mee voor [minderjarige 1] . Voor en na de bezoeken zien begeleiders op de woongroep waar zij sinds februari 2026 verblijft dat zij moeite kan hebben met het reguleren van haar emoties. In haar gedrag en uitspraken is [minderjarige 1] wisselend over haar ouders: aan de ene kant laat zij zien dat zij graag contact heeft met haar ouders en hen wil zien. Aan de andere kant uit zij ook negatieve gevoelens en uitspraken over haar ouders.
[minderjarige 3] is zo blijkt uit de stukken gebaat bij de stabiliteit, veiligheid en zorg die hem in het gezinshuis wordt geboden en waardoor hij aan ontwikkeling toekomt. Hij heeft duidelijk behoefte aan structuur en voorspelbaarheid. Tijdens de bezoeken met de ouders heeft [minderjarige 3] de nabijheid van de gezinshuisvader nodig. [minderjarige 3] komt na de bezoeken goed terug in het gezinshuis en laat steeds minder spanning laat zien rondom deze momenten.
5.8 Gelet op al het voorgaande wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] naar het oordeel van de rechtbank nog steeds ernstig bedreigd en kan deze ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het is immers door visieverschillen tussen de ouders, hun advocaat, de GI en de hulpverlening nog steeds niet gelukt om de opvoedmogelijkheden van de ouders in kaart te brengen en effectieve hulpverlening en behandeling voor de kinderen in te zetten. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] voor de duur van een jaar nu deze periode noodzakelijk is gelet op de situatie van de kinderen.
5.9 Naar het oordeel van de rechtbank is ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] nog steeds noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. De rechtbank verwijst in dit verband naar de beschikking van de meervoudige kamer van 22 juli 2026.
5.10 De rechtbank acht gelet op de hiervoor beschreven zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen bij de ouders de uitkomsten van het inmiddels gestarte perspectiefonderzoek en diagnostiek en behandeling voor de kinderen onveranderd nodig om te kunnen beoordelen of en onder welke voorwaarden een terugplaatsing van de kinderen bij de ouders al dan niet mogelijk is, zijn. Nu dit onderzoek en de behandeling van de kinderen nog niet zijn afgerond, is de rechtbank van oordeel dat er nog steeds onvoldoende informatie beschikbaar is over de (on)mogelijkheden van de ouders om de kinderen een fysiek en emotioneel voldoende veilige opvoedomgeving te bieden en te kunnen voorzien in de opvoedbehoeften van de kinderen.
5.11 De rechtbank verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . De rechtbank ziet wel aanleiding om, in afwachting van de uitkomsten van het perspectiefonderzoek, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur dan verzocht, te weten voor zes maanden, en het verzoek voor het overige pro forma aan te houden tot 1 februari 2027.
5.12 De GI wordt verzocht om de rechtbank (met afschrift aan ouders en hun advocaat) op uiterlijk 1 februari 2027 in een briefrapportage schriftelijk te informeren over de laatste stand van zaken en gemotiveerd aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.13 De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De rechtbank:
6.1 verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] tot 23 september 2027;
6.2 verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 23 maart 2027;
6.3 verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening tot 23 maart 2027;
6.4 houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
6.5 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
En alvorens verder te beslissen:
6.6 Bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 februari 2027 pro forma.
6.7 Bepaalt dat de GI, de belanghebbenden en de advocaat op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen.
6.8 Verzoekt de GI uiterlijk op 1 februari 2027 de rechtbank de sub 5.10. verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift aan de ouders en de advocaat.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. G.M. Paling, mr. M.P.G. Rietbergen en mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.