Rb. Rotterdam 14 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14137

Wrakingsverzoek. Afwijzing. Geen zwaarwegende aanwijzingen voor (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
Zaak- en rekestnummer: C/10/723680 / HA RK 26-741
Beslissing van 14 september 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. J.W. Langeler,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1 Verzoekster heeft op 21 juli 2026 een wrakingsverzoek gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de kantonzaak met zaaknummer 12278253 VV EXPL 26-364. De zaak betreft een kort geding tussen [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) als eiseres en verzoekster als gedaagde. Daarin vordert [bedrijf] onder meer dat verzoekster, zo nodig door middel van een gedwongen ontruiming, medewerking verleent aan [bedrijf] om (renovatie)werkzaamheden in de woning te laten uitvoeren. De wrakingskamer heeft toegang gekregen tot het dossier van de zaak.

1.2 Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
het wrakingsverzoek van verzoekster, gedaan tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 21 juli 2026,
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling,
de reactie op het proces-verbaal en de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van verzoekster van 27 juli 2026, met producties 1 tot en met 8,
de schriftelijke reactie van de rechter van 3 augustus 2026.

1.3 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2026. Verzoekster is verschenen. De rechter is (met bericht van verhindering) niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1 Verzoekster legt aan haar wrakingsverzoek ten grondslag dat geen sprake is (geweest) van een eerlijk proces. Zij onderbouwt dit - verkort en zakelijk weergegeven - als volgt.
Verzoekster heeft na ontvangst van de dagvaarding op 16 juli 2026 een schriftelijke reactie met incidentele verzoeken en een aanhoudingsverzoek aan de rechter gezonden. Bij e-mail van 17 juli 2026 heeft verzoekster de rechter verzocht om zo spoedig mogelijk kennis te nemen van haar stukken, waaronder in ieder geval het aanhoudingsverzoek.
Bij e-mail van 21 juli 2026 (om 8.40 uur, 2 uur en 25 minuten voor aanvang van de zitting) heeft de griffier aan verzoekster geschreven dat de mondelinge behandeling niet werd uitgesteld. Ook liet de griffier weten dat als verzoekster niet zou verschijnen de door haar ingediende stukken buiten beschouwing werden gelaten. Verzoekster is daarmee gedwongen om naar de mondelinge behandeling te komen, terwijl zijn daar fysiek en psychisch niet toe in staat was en zij buiten haar schuld zonder procesvertegenwoordiger zat. Er was sprake van een vooropgezette valstrik.
Toen de mondelinge behandeling begon, heeft de bewonersbegeleider van de aannemer plaatsgenomen aan de procestafel. De kantonrechter heeft dit ten onrechte toegelaten.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter verzoekster voorgehouden dat zij geen incidentele verzoeken kon indienen omdat zij in persoon procedeerde. Later is hij hierop teruggekomen en heeft hij de verzoeken afgewezen zonder dat verzoekster deze nader heeft kunnen toelichten. [bedrijf] heeft daarentegen ononderbroken het woord daarover mogen voeren en daarmee de gelegenheid gekregen om haar stellingen uitgebreid toe te lichten. De rechter heeft verzoekster daar niet op laten reageren. Verzoekster mocht ook haar eigen verhaal niet vertellen. Daarmee is het recht op hoor en wederhoor geschonden en is sprake geweest van ongelijke behandeling van partijen.
Na het wrakingsverzoek heeft de rechter eigenhandig een proces-verbaal opgesteld, terwijl hij op dat moment niet meer bevoegd was om solistisch handelingen te verrichten. Ook ontbreekt de handtekening van de griffier op het proces-verbaal.

2.2 De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het wrakingsverzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1 Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid.

3.2 De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd, bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.3 Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter tegenover haar een vooringenomenheid koestert– objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar deze is niet doorslaggevend.

3.4 De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van zo’n zwaarwegende aanwijzing.

3.4.1 Het wrakingsverzoek is tijdens de mondelinge behandeling gedaan. De aanloop naar het wrakingsverzoek, de inhoud daarvan en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn in een proces-verbaal vastgelegd. Dat is gebruikelijk als een wrakingsverzoek mondeling wordt gedaan en in overeenstemming met artikel 2 lid 3 van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Op grond van artikel 90 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) maakt de rechter het proces-verbaal op. Op grond van artikel 90 lid 3 en lid 5 Rv volstaat een zakelijke samenvatting en ondertekent alleen de rechter het proces-verbaal. Op grond van artikel 90 lid 6 Rv verstrekt de griffier een afschrift daarvan. Aan deze vereisten is voldaan.

3.4.2 De wrakingskamer begrijpt dat verzoekster de aanloop naar de zitting als vervelend heeft ervaren. Op 16 juli 2026 heeft verzoekster om uitstel van de mondelinge behandeling verzocht en zij heeft dit een dag later nogmaals onder de aandacht van de rechter willen brengen. Uiteindelijk heeft verzoekster pas (een kleine) tweeënhalf uur voor de zitting te horen gekregen dat het uitstelverzoek niet werd gehonoreerd. De wrakingskamer is het met verzoekster eens dat deze beslissing eerder aan haar meegedeeld had kunnen worden. Anders dan verzoekster stelt, leest de wrakingskamer in de e-mail van de griffier echter niet dat verzoekster daarmee gedwongen is om naar de mondelinge behandeling te komen. De griffier heeft verzoekster erop gewezen dat haar stukken niet konden worden meegewogen als zij verstek liet gaan. De rechter heeft toegelicht dat de griffier verzoekster een helpende hand heeft willen bieden omdat een procedure in kort geding anders verloopt dan in een bodemzaak waarin de gedaagde schriftelijk verweer kan voeren.

3.4.3 Over de gang van zaken tijdens de zitting overweegt de wrakingskamer dat de rechter een regierol heeft en het verloop van de mondelinge behandeling bepaalt. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid. Het is aan de rechter om te bepalen wie waar plaatsneemt in de zittingszaal en wie wanneer en waarover het woord mag voeren. Toen de incidentele vorderingen van verzoekster aan bod kwamen, heeft de rechter [bedrijf] de gelegenheid geboden daarop te reageren. In zoverre is dus sprake van hoor (verzoekster) en wederhoor ([bedrijf]) op de incidentele vorderingen van verzoekster.
Voor zover verzoekster de (afwijzende) beslissingen van de rechter op haar incidentele vorderingen aan haar wrakingsverzoek ten grondslag heeft willen leggen, geldt dat een rechterlijke beslissing geen grond voor wraking kan vormen. Het is namelijk niet aan de wrakingskamer om een oordeel over de juistheid van die beslissingen te geven. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich hiertegen. Dit is uitsluitend anders als de motivering van de beslissingen in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Hiervan is geen sprake.
Verzoekster heeft het wrakingsverzoek gedaan op het moment dat de rechter de inhoud van het geschil aan de orde stelde. Hij vroeg haar hoe zij zich een oplossing voorstelde. Het betoog van verzoekster dat sprake is van een ongelijke behandeling en schending van het recht op hoor en wederhoor slaagt niet. De rechter heeft verzoekster immers wel degelijk in de gelegenheid gesteld haar standpunten naar voren te brengen. Door het wrakingsverzoek is de rechter verder niet meer aan die inhoud toegekomen. Overigens behoort ook het bespreekbaar maken van schikkingsmogelijkheden tot de taken van de rechter.

3.5 De conclusie is dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het wrakingsverzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, voorzitter, mr. F. Aukema-Hartog en mr. J. van Dort, rechters, in aanwezigheid van mr. E. Elenbaas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Aangehaalde artikelen