Rb. Rotterdam 16 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14105
Kort geding, vermogensschade, schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12194158 VV EXPL 26-223
datum uitspraak: 16 juni 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. D.P. Kant,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1 De procedure
1.1 Het dossier bestaat uit het volgende processtuk:
- de dagvaarding van 12 mei 2026, met bijlagen.
1.2 Op 2 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting met [eiseres] en haar gemachtigde besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1 [eiseres] is eigenaresse van de personenauto met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto). [gedaagde] is als bestuurder van de auto betrokken geweest bij een ongeluk waarbij schade is ontstaan. Deze schade is door de verzekeraar van [eiseres] vergoed aan de eigenaar van de beschadigde auto. Ter behoud van haar schadevrije jaren en de daarbij behorende premie is tussen [eiseres] en haar verzekeraar overeengekomen dat [eiseres] het schadebedrag uiterlijk op 3 maart 2026 aan haar verzekeraar zou terugbetalen. Bij vonnis van 10 oktober 2025 is voor recht verklaard dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, omdat [eiseres] vermogensschade lijdt doordat zij het schadebedrag aan haar verzekeraar moet terugbetalen. [gedaagde] is daarom verplicht deze schade te vergoeden vanaf 3 maart 2026. Nu dit vonnis geen veroordeling tot betaling bevat en daardoor niet ten uitvoer kan worden gelegd, eist [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 3.662,-, te vermeerderen met rente en kosten.
Spoedeisend belang
2.2 Bij de beoordeling van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiseres het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval zij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
2.3 Het is aan [eiseres] als eisende partij om te stellen en te onderbouwen dat zij een spoedeisend belang heeft bij de eisen die zij instelt. Slechts indien het in hoge mate aannemelijk is dat de geldvordering door de bodemrechter zal worden toegewezen, bestaat er aanleiding minder strenge eisen aan de spoedeisendheid te stellen. Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat deze spoed aanwezig is. [eiseres] heeft aangevoerd dat de kantonrechter in een eerder vonnis voor recht heeft verklaard dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat [gedaagde] gehouden is de daardoor geleden schade te vergoeden. Dit vonnis bevat echter geen veroordeling tot betaling en kan daarom niet ten uitvoer worden gelegd. Daarbij komt dat [eiseres] de schade inmiddels aan haar verzekeraar heeft vergoed en daardoor vermogensschade lijdt. Dit heeft ertoe geleid dat zij binnen haar familie een financiële regeling heeft moeten treffen om de schade te kunnen bekostigen. [eiseres] heeft daarom belang bij een vonnis waarin [gedaagde] daadwerkelijk wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding.
[gedaagde] moet € 3.662,- met rente betalen
2.4 Uit de dagvaarding volgt dat [eiseres] een schadevergoeding van € 3.662,- eist, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 maart 2026. Nu [gedaagde] de stellingen van [eiseres] niet heeft weersproken en het geëiste de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt wordt de eis om die reden toegewezen (artikel 139 Rv).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.5 De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 93,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 814,-. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. Er worden geen dagvaardingskosten toegewezen, omdat [eiseres] met een toevoeging procedeert en daarom geen dagvaardingskosten hoefde te betalen (artikel 40 Wet op de rechtsbijstand).
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.6 Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
3.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.662,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 3 maart 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 814,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
67789