Rb. Rotterdam 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14049
Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Geslaagd beroep op overschrijding klachttermijn. Overweging ten overvloede: ook een inhoudelijke beoordeling van de aansprakelijkheid zou niet leiden tot toewijzing van de vordering.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK Rotterdam
team handel en haven
Zaaknummer: C/10/702221 / HA ZA 25-543
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
MP-ROSI KFT.,
te Nyergesújfalu (Hongarije),
eisende partij,
hierna te noemen: MP-Rosi,
advocaat: mr. M. Malycha,
tegen
KNEPPELHOUT & KORTHALS N.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Kneppelhout,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels.
1 De zaak in het kort
Kneppelhout heeft MP-Rosi bijgestaan als advocaat in een geschil over de bouw van een jacht. MP-Rosi verwijt Kneppelhout in de namens haar gevoerde arbitrageprocedure meerdere beroepsfouten te hebben gemaakt, op grond waarvan Kneppelhout schadeplichtig is geworden. De rechtbank wijst de vordering af, omdat MP-Rosi deze zaak niet binnen de daartoe in de algemene voorwaarden van Kneppelhout opgenomen vervaltermijn aanhangig heeft gemaakt. Ten overvloede komt de rechtbank tot het oordeel dat de vorderingen ook bij een inhoudelijke beoordeling moeten worden afgewezen.
2 De procedure
2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 28 april 2025, met producties (1 - 68); - de conclusie van antwoord, met producties (1 - 88);
- de conclusie van repliek, met producties (69 - 82);
- de conclusie van dupliek, met producties (89 - 97);
- de brief van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte houdende aanvullende producties (83 - 87), van MP-Rosi;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026;
- de namens MP-Rosi voorgedragen pleitaantekeningen;
- de namens Kneppelhout voorgedragen spreekaantekeningen.
2.2 Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
3.1 MP-Rosi is een holdingvennootschap naar Hongaars recht. Bestuurder en eigenaar van MP-Rosi is heer Sandór Gimesi (Gimesi).
3.2 Kneppelhout is een advocatenkantoor.
3.3 Kneppelhout, in de persoon van [naam], heeft MP-Rosi bijgestaan in een procedure tegen Linssen Yachts B.V. (Linssen) bij het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI). De procedure betrof de deugdelijkheid van een jacht ('Jacht 3') dat Linssen voor MP-Rosi had gebouwd en aan haar had verkocht.
3.4 Daarnaast heeft MP-Rosi zich al vanaf juni 2016 laten bijstaan door twee juridisch adviseurs, werkzaam onder de naam Pontmundi. Beide juristen hebben hun studie rechtsgeleerdheid aan een Nederlandse universiteit genoten. Zij spreken beiden de Hongaarse en de Nederlandse taal.
3.5 Een van de juristen van Pontmundi heeft namens MP-Rosi contact met Kneppelhout opgenomen en aan Kneppelhout voorgelegd of zij de belangen van MP-Rosi in het geschil met Linssen zou kunnen behartigen. Daarbij heeft de betrokken jurist schriftelijk aan Kneppelhout bevestigd dat hij gemachtigd is namens MP-Rosi op te treden en ook beslissingen te nemen, in dit geval de keuze van advocaat. Op 8 november 2017 is een overeenkomst van opdracht (de overeenkomst) gesloten tussen MP-Rosi en Kneppelhout. De opdrachtbevestiging is aan Gimesi met een kopie aan een van de juristen van Pontmundi gericht. De opdrachtbevestiging is door deze laatste als gemachtigde van MP-Rosi voor akkoord ondertekend. Op de overeenkomst zijn (de Engelstalige versie van) de Algemene voorwaarden van Kneppelhout van toepassing verklaard.
3.6 Artikel 7 van de Algemene voorwaarden luidt:
"The right to compensation for loss shall in any case lapse 12 months after the event from which arose, whether directly or indirectly, the loss for which Kneppelhout & Korthals N.V. is liable under law, without prejudice to the provisions of Article 6:89 of the Dutch Civil Code."
Deze bepaling wordt hierna aangeduid als: het beding.
3.7 In de Nederlandse versie van de Algemene voorwaarden luidt het beding:
"Het recht op schadevergoeding vervalt in ieder geval 12 maanden na de gebeurtenis waaruit de schade direct of indirect voortvloeit en waarvoor Kneppelhout en Korthals N.V. rechtens aansprakelijk is, onverminderd het bepaalde in artikel 6:89 BW."
3.8 De arbitrale procedure is ingeleid met een memorie van 17 september 2018. Hierin heeft MP-Rosi onder andere gevorderd dat Linssen wordt veroordeeld tot betaling van ruim 1,7 miljoen euro ter zake van de terugbetaling van de koopsom voor Jacht 3 en tot betaling van ruim 4 ton ter zake van aanvullende schadevergoeding. Uiteindelijk heeft het NAI, na een laatste mondelinge behandeling op 15 mei 2020, op 23 juni 2020 eindvonnis gewezen.
3.9 Het dictum van het vonnis van 23 juni 2020 luidt, voor zover relevant:
"In conventie
3.1 verklaart voor recht dat Linssen in de nakoming van de overeenkomst met betrekking tot jacht 3 toerekenbaar is tekortgeschoten;
3.2 verklaart de in 3.1 bedoelde overeenkomst ontbonden;
3.3 veroordeelt Linssen om op het moment dat MP-ROSI het jacht ("jacht 3") in Maasbracht teruglevert aan haar, Linssen, aan MP-ROSI te voldoen een bedrag van € 1.065.674, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover, berekend over de periode tussen dit tijdstip van teruglevering en het tijdstip van voldoening van dit bedrag;
3.4 wijst onderdeel 4 van de primaire vordering af behoudens ten aanzien van de in 2.30 onder 11, 13 en 19 vermelde posten;
3.5 wijst het meer of anders gevorderde - behoudens ten aanzien van de hierna te vermelden proceskosten - af;
In reconventie
3.6 wijst de vordering - zonder het gevorderde inzake de proceskosten - af;
In conventie en in reconventie voorts
[…]
3.11 compenseert de kosten van rechtsbijstand (met inbegrip van de in 2.30 onder 13 en 19 vermelde posten) tussen partijen, en wel aldus dat iedere partij in zoverre de eigen kosten draagt."
3.10 Op 20 juli 2020 heeft MP-Rosi een brief aan Kneppelhout gestuurd waarbij zij de opdracht heeft beëindigd en het recht is voorbehouden Kneppelhout aansprakelijk te stellen voor de door MP-Rosi geleden schade.
3.11 In augustus 2020 heeft Boonk Van Leeuwen Advocaten MP-Rosi een second opinion gegeven over het verloop van de arbitrageprocedure bij het NAI. Boonk van Leeuwen Advocaten heeft namens MP-Rosi per brief van 30 september 2020 Kneppelhout aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van het (tekortschietend) optreden van Kneppelhout tijdens de arbitrageprocedure bij het NAI.
3.12 Namens Kneppelhout is bij brief van 17 november 2020 aangegeven dat Kneppelhout geen aansprakelijkheid aanvaardt.
4 Het geschil
4.1 De vordering van MP-Rosi luidt om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) voor recht te verklaren dat Kneppelhout in de nakoming van de overeenkomst met MP-Rosi toerekenbaar is tekortgeschoten en gehouden is de daaruit voortvloeiende schade van MP-Rosi te vergoeden;
b) Kneppelhout te veroordelen tot betaling aan MP-Rosi van:
i. i) EUR 240.379,48;
ii) EUR 251.743,=;
iii EUR 440.271,=;
iv) EUR 128.253,42;
v) EUR 359.172,22;
vi) EUR 433.275,45; en
vii) EUR 25.896,=;
althans tot schadevergoeding nader op te maken bij staat,
in elk geval te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; en
c) Kneppelhout te veroordelen in de kosten van dit geding alsmede in de gebruikelijke nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het verstrijken van 14 dagen na betekening van het vonnis aan Kneppelhout tot aan de dag der algehele voldoening.
4.2 Het verweer van Kneppelhout strekt tot afwijzing van de vorderingen van MP-Rosi, met veroordeling van MP-Rosi in de kosten van dit geding.
5 De beoordeling
5.1 MP-Rosi grondt haar vordering tot schadevergoeding op toerekenbare tekortkoming door Kneppelhout bij de uitvoering van haar werkzaamheden in het kader van de arbitrageprocedure, ofwel door Kneppelhout gemaakte beroepsfouten.
5.2 Kneppelhout betwist dat sprake is van beroepsfouten.
Beroep op het beding: standpunten van partijen
5.3 In de eerste plaats stelt Kneppelhout echter, met een beroep op artikel 7 van de Algemene voorwaarden (het beding), dat de vordering van MP-Rosi is vervallen. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Ingevolge deze bepaling moet de opdrachtgever om zijn recht op schadevergoeding geldend te maken binnen één jaar een procedure aanhangig maken. Die termijn begint te lopen op het moment van de gebeurtenis waaruit de schade direct of indirect is voortgevloeid. De laatste tekortkoming van Kneppelhout heeft volgens de stelling van MP-Rosi plaatsgevonden op 15 mei 2020. De vervaltermijn is daarmee verstreken op 15 mei 2021. De dagvaarding is uitgebracht op 28 april 2025, dus na het verstrijken van de vervaltermijn.
5.4 MP-Rosi betwist dat haar vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 7 van de Algemene voorwaarden vervallen is. Zij voert daartoe het volgende aan.
5.4.1 MP-Rosi weerspreekt ten eerste dat het beding dient te worden uitgelegd op de door Kneppelhout voorgestane wijze. In de visie van MP-Rosi moet het beding, gelet op haar ruime bewoordingen, waarbij onduidelijkheden in het voordeel van haar als wederpartij van Kneppelhout moeten worden uitgelegd, zo worden begrepen dat sprake is van een klachtbepaling die vergelijkbaar is met artikel 6:89 BW en dan is het voldoende om binnen 12 maanden na kennisneming (en niet: na het plaatsvinden) van een tekortkoming daarover te klagen om verval van het vorderingsrecht te voorkomen. Niet vereist is dus dat binnen die termijn daadwerkelijk een procedure aanhangig gemaakt wordt. MP-Rosi heeft de tekortkomingen van Kneppelhout redelijkerwijs pas kunnen ontdekken nadat het arbitrale vonnis op 23 juni 2020 was gewezen en zij in augustus 2020 een second opinion had ontvangen. MP-Rosi heeft Kneppelhout bij brief van 30 september 2020 aansprakelijk gesteld. Daarmee heeft MP-Rosi binnen de termijn van 12 maanden geklaagd, ook als gerekend wordt vanaf de mondelinge behandeling van 15 mei 2020.
5.4.2 Subsidiair, voor zover het beding moet worden uitgelegd op de door Kneppelhout voorgestane wijze, doet MP-Rosi een beroep op vernietiging van het beding op grond van de reflexwerking van artikel 6:233 sub a en 6:236 sub a BW, omdat MP-Rosi een holdingvennootschap is zonder eigen activiteiten.
5.4.3 Meer subsidiair, voor zover het beroep op vernietiging niet slaagt, geldt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als Kneppelhout zich op het beding zou kunnen beroepen, waarbij de volgende omstandigheden op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien van belang zijn: de aard en de ernst van de schendingen van Kneppelhout, haar hardnekkige weigering na de arbitrage om de door haar gemaakte fouten in te zien, het late beroep op de (vermeende) vervaltermijn, het feit dat Kneppelhout MP-Rosi nooit voor het dreigende verval heeft gewaarschuwd en de omstandigheid dat MP-Rosi een holdingvennootschap is zonder eigen activiteiten waarvan niet verwacht kon worden dat zij de exacte betekenis van het beding doorgrondt.
5.5 Kneppelhout brengt hier het volgende tegenin.
5.5.1 Uit de letterlijke tekst van het beding volgt dat het recht op schadevergoeding vervalt, tenzij dit recht te gelde wordt gemaakt door het tijdig instellen van een rechtsvordering. Er is geen sprake van een vervaltermijn gekoppeld aan een klachtplicht (een klachtvervaltermijn). De woorden without prejudice to geven aan dat de (procedurele) vervaltermijn uitdrukkelijk naast de klachtvervaltermijn loopt. Dat komt verder tot uitdrukking in de woorden in any case die aangeven dat, ook als de opdrachtgever tijdig klaagt, het recht op schadevergoeding in ieder geval vervalt als niet binnen een jaar na het schadebrengende feit een procedure aanhangig is gemaakt. Die termijn begint te lopen op het moment van de gebeurtenis waaruit de schade direct of indirect is voortgevloeid, zo volgt overduidelijk uit de tekst van het beding. Een beding als door Kneppelhout gehanteerd is in de professionele adviesbranche ook zeer gebruikelijk.
5.5.2 Het beding is gelet op het voorgaande ook niet onduidelijk. Voor zover daarvan sprake zou zijn, geldt niet dat deze onduidelijkheden in het nadeel van de gebruiker dienen te worden uitgelegd (de zogenaamde contra proferentem-regel van artikel 6:238 lid 2 BW). Het gaat hier om een internationale overeenkomst in de zin van artikel 6:247 lid 2 BW, ofwel een overeenkomst tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide in Nederland gevestigd zijn. Op dergelijke overeenkomsten is de afdeling over algemene voorwaarden, en dus ook artikel 6:238 BW, niet van toepassing. Ten overvloede geldt dat ook in 'nationale overeenkomsten' de contra proferentem-regel in de verhouding tussen professionele contractspartijen geen rechtsregel is, maar (hooguit) een gezichtspunt dat de rechter bij de uitleg mag, maar niet hoeft te betrekken en dat gezichtspunt dan terughoudend moet toepassen. Daarbij is in dit geval van belang dat MP-Rosi niet gelijk is te stellen aan een consument. Zij is een vennootschap die grote deals sluit, (vier) werknemers in dienst heeft en zich bij het sluiten van de overeenkomst door juridisch adviseurs liet bijstaan.
5.5.3 Tot slot kan MP-Rosi geen beroep doen op onredelijke bezwarendheid van het beding, noch op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Omdat sprake is van een internationale overeenkomst, is de zwarte lijst van artikel 6:236 (sub a) BW niet van toepassing. Ook overigens is de zwarte lijst niet van toepassing, omdat MP-Rosi geen consument is. Met betrekking tot het beroep op de onaanvaardbaarheid geldt verder het volgende. Vervalbedingen met een termijn van een jaar zijn gebruikelijk en zeker in relaties tussen professionele partijen staat het een partij vrij om een dergelijk beding in de algemene voorwaarden overeen te komen. MP-Rosi, bij monde van haar juridisch adviseurs, heeft bij de totstandkoming van de opdracht en aanvaarding van de algemene voorwaarden zelf ingestemd met die termijn. Bovendien is het niet zo dat MP-Rosi de vermeende tekortkomingen pas vlak voor het verstrijken van de vervaltermijn heeft ontdekt.
Beroep op het beding: uitleg
5.6 Partijen verschillen over de betekenis van het beding in de overeenkomst. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
5.7 De rechtbank is van oordeel dat het beding uitgelegd dient te worden op de door Kneppelhout bepleite wijze. Door het gebruik van de woorden 'without prejudice to ("onverminderd") the provisions of Article 6:89' dient het beding zo te worden opgevat dat het niet bedoeld is als een klachtregeling, zoals MP-Rosi betoogt, maar als een vervalregeling naast de klachtregeling van artikel 6:89 BW. Bij een andere uitleg zou de aparte verwijzing naar de klachtregeling van artikel 6:89 BW zinledig zijn. Niet valt immers in te zien wat de toegevoegde waarde van artikel 7 zou kunnen zijn als daarmee in wezen niet iets meer of anders wordt geregeld dan het vastleggen van een termijn waarbinnen op grond van artikel 6:89 BW geklaagd moet worden. Deze bedoeling wordt nog versterkt door de woorden 'in any case’ ("in ieder geval"). Hiermee wordt logischerwijs tot uitdrukking gebracht dat de regeling van artikel 7 en die van artikel 6:89 BW naast elkaar bestaan. Het gebruik van het woord 'lapse’ ("vervallen") ten slotte maakt onmiskenbaar duidelijk dat het hier gaat om een vervalbeding. MP-Rosi heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die maken dat MP-Rosi het beding anders kon opvatten dan als een vervalbeding.
5.8 Op straffe van verval van het recht op schadevergoeding, moet dat recht dus binnen de bepaalde termijn te gelde gemaakt worden. Binnen de kaders van de wet kan dat alleen door binnen die termijn een procedure aanhangig te maken. Uit de aard van het beding vloeit dus voort welke handeling nodig is om dat verval van recht te voorkomen. Daaraan doet niet af dat in artikel 7 niet met zoveel woorden is bepaald dat binnen de vervaltermijn een procedure moet zijn begonnen. Anders dan MP-Rosi betoogt, volgt met de aan haar toe te rekenen kennis van het Nederlandse recht uit het beding dus voldoende wat van de wederpartij van Kneppelhout verwacht wordt.
5.9 Het beroep van MP-Rosi op artikel 6:238 lid 2 BW (het contra proferentem-beginsel) stuit af op het in artikel 6:247 lid 2 BW bepaalde, waaruit volgt dat deze bepaling niet van toepassing is op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide in Nederland gevestigd zijn. Aan deze voorwaarden is in het onderhavige geval voldaan. Dat MP-Rosi een holdingvennootschap is en dat het jacht bedoeld was voor privégebruik door Gimesi doet hier niet aan af. De rechtbank verwerpt het andersluidende standpunt van MP-Rosi. In het midden kan blijven of het beding duidelijk en begrijpelijk is, zoals bedoeld in artikel 6:238 lid 2 BW.
Beroep op het beding: niet onredelijk bezwarend en/of onaanvaardbaar
5.10 Zelfs al zou MP-Rosi gelijkgesteld moeten worden met een natuurlijk persoon die niet handelt in uitoefening van een beroep of bedrijf, dan is het beding nog steeds niet onredelijk bezwarend. Aan MP-Rosi wordt immers niet geheel en onvoorwaardelijk het recht ontnomen de door de gebruiker toegezegde prestatie op te eisen, zoals artikel 6:236 aanhef en sub a BW luidt. Aan het opeisen van de prestatie wordt slechts een termijn gesteld. Die termijn is niet onredelijk kort.
5.11 Evenmin acht de rechtbank het beroep op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. MP-Rosi is ruim binnen de termijn dat de vervaltermijn liep met het vermeende tekortschieten van Kneppelhout bekend geworden en heeft Kneppelhout daarvoor ook ruimschoots binnen die termijn aansprakelijk gesteld. Kneppelhout heeft kort na de aansprakelijkstelling door MP-Rosi aangegeven zich niet aansprakelijk te achten. Er resteerde toen nog genoeg tijd voor MP-Rosi om een procedure aanhangig te maken. Nu MP-Rosi al vanaf het aangaan van de overeenkomst met Kneppelhout ook nog werd bijgestaan door juridisch adviseurs en zich over de vermeende beroepsfouten van Kneppelhout door advocaten heeft laten adviseren, ziet de rechtbank niet in dat Kneppelhout in dit geval gehouden was MP-Rosi te wijzen op het dreigende verval van de vordering. Op deze omstandigheid stuit ook af haar betoog dat van een kleine vennootschap als MP-Rosi niet verwacht kon worden dat zij de exacte betekenis van het beding doorgrondt. Daarbij komt dat MP-Rosi - weliswaar na het verstrijken van de overeengekomen vervaltermijn - namens Kneppelhout bij brieven van respectievelijk 14 april 2022 en 12 augustus 2022 expliciet op het vervalbeding en de daaraan verbonden consequentie is gewezen. Desondanks heeft MP Rosi nog ongeveer drie jaar gewacht met het aanhangig maken van de procedure. Ook deze omstandigheid draagt eraan bij dat het beroep op het vervalbeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Conclusie: de vordering is vervallen
5.12 Vast staat dat MP-Rosi uiterlijk in september 2020 tot haar inzicht is gekomen dat Kneppelhout beroepsfouten had gemaakt. Uiterlijk op dat moment is dus de vervaltermijn van artikel 7 gaan lopen. MP-Rosi had de onderhavige procedure uiterlijk een jaar nadien aanhangig moeten maken. Dat heeft zij niet gedaan. De inleidende dagvaarding dateert van 28 april 2025. Haar aanspraken op grond van de vermeende tekortkomingen van Kneppelhout zijn daarom komen te vervallen. Het beroep van Kneppelhout op het beding slaagt dus. Reeds op die grond dient de vordering van MP-Rosi te worden afgewezen.
Ten overvloede: inhoudelijke beoordeling leidt tot afwijzing
5.13 De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende. Ook indien de rechtbank wel zou zijn toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, was de vordering van MP-Rosi niet toewijsbaar geweest. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
Toetsingskader
5.14 De rechtsverhouding tussen een advocaat en zijn opdrachtgever (cliënt) is gebaseerd op een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW. Op de advocaat die een opdracht aanneemt, rust een inspanningsverplichting: hij moet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen en daarbij de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht ten opzichte van degene wiens belangen hij behartigt. Er kan pas worden gesproken van een toerekenbare tekortkoming indien een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders zou hebben gehandeld.
5.15 De verplichting van een advocaat brengt in beginsel mee dat hij zich niet beperkt tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk gevraagd heeft, maar dat hij zelfstandig beoordeelt wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar handelt. In juridische procedures dient een advocaat de cliënt niet onnodig bloot te stellen aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt de zorgvuldigheidsplicht mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn. Wat dit laatste betreft is van belang dat MP-Rosi werd bijgestaan door (Nederlandse) juristen. Hun handelen moet aan MP-Rosi als hun opdrachtgever worden toegerekend.
5.16 Uit deze norm vloeit voort dat het er niet om gaat wat de best denkbare advocaat in de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Het gaat immers om de redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Ook volgt uit deze norm dat de omstandigheden van het geval ten tijde van het bewuste handelen (of niet-handelen) bepalend zijn. Gewaakt moet worden voor het toetsen van het handelen van de advocaat met inachtneming van de situatie zoals die zich na het handelen van de advocaat heeft gemanifesteerd.
Verwijt 1: posten aanvullende schadevergoeding onvoldoende onderbouwd
5.17 MP-Rosi verwijt Kneppelhout dat zij bij memorie van eis enkel de posten van de gevorderde aanvullende schadevergoeding heeft opgesomd met verwijzing naar een omvangrijke productie (de notabundel), zonder de inhoud van die productie nader toe te lichten. Dit heeft Kneppelhout ook niet (alsnog) gedaan bij gelegenheid van de memorie na deskundigenbericht en de zitting van 15 mei 2020. Na die zitting heeft Kneppelhout aanvullende stukken overgelegd, maar wederom zonder toelichting. Kneppelhout had arbiters bij de hand moeten nemen door een deugdelijke toelichting per factuur te geven, zeker nu Linssen bij memorie van antwoord op de afzonderlijke posten specifiek verweer had gevoerd. Kneppelhout heeft nooit gewaarschuwd dat een gebrek aan onderbouwing kon leiden tot afwijzing van de vordering. Dat de aandacht in de procedure vooral uitging naar de zeewaardigheid van het jacht, laat onverlet dat Kneppelhout het overzicht had moeten bewaren en alert had moeten blijven op het belang van onderbouwing.
5.18 Dit verwijt treft geen doel. De rechtbank licht dit als volgt toe.
5.19 Op zichzelf is juist dat een partij die zich beroept op bepaalde stukken ter onderbouwing van een standpunt verplicht is om daarnaar op inzichtelijke wijze te verwijzen. Een algemene verwijzing naar een omvangrijk stuk volstaat niet. Het is immers niet aan de wederpartij of de rechter in dat stuk te zoeken naar punten die de onderbouwing van een bepaalde specifieke stelling (kunnen) bevatten. De stelling in de memorie van eis met verwijzing (zonder specificatie) naar de notabundel voldeed zo bezien niet aan dit vereiste. Kneppelhout was zich hier echter bewust van. In december 2018 heeft zij ter voorbereiding op de (eerste) mondelinge behandeling hierover vragen gesteld. Daarop kreeg Kneppelhout geen inhoudelijk antwoord van MP-Rosi. In dezelfde tijd kreeg Kneppelhout bericht van arbiters over de inrichting van de procedure, waaruit zij naar het oordeel van de rechtbank als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat heeft mogen afleiden dat MP-Rosi op een later moment alsnog gelegenheid zou krijgen om de schade te onderbouwen. Ook latere berichten van arbiters hebben Kneppelhout die indruk kunnen geven. Daarom is in de gegeven situatie op dit punt geen sprake van een beroepsfout.
5.20 De volgende omstandigheden en uitlatingen van arbiters zijn voor dit oordeel redengevend:
- De e-mail van de voorzitter van het NAI van 24 december 2018 aan de raadslieden:
"Eventuele nadere bewijslevering (in aansluiting op de reeds ingebrachte schriftelijke bewijsstukken en de waardering daarvan door de arbiters) komt, zo nodig, daarna aan de orde, wellicht in een volgende zitting."
Het verloop van de zitting van 9 januari 2019: aan de orde kwamen de zeewaardigheid van het jacht, het beroep van Linssen op een vervalbeding en de inruilwaarde van een eerder door MP-Rosi bij Linssen gekocht jacht (Jacht 1). De posten ter zake van de aanvullende schadevergoeding zijn niet aan de orde gekomen.
Het arbitrale tussenvonnis van 17 februari 2019: "MP-ROSI krijgt in een later stadium van deze procedure de gelegenheid te reageren op dit voorlopige oordeel van arbiters" (over de inruilwaarde). En: "De hier beschreven kwesties betreffende de zeewaardigheid, het vermogen van de stuurcilinder en de Garmininstallatie vormen veruit de belangrijkste geschilpunten tussen partijen. In dit stadium volstaan arbiters daarom met de aankondiging van een deskundigenbericht daarover. De andere geschilpunten komen zo nodig in een volgende fase nader aan de orde."
De e-mail van 7 maart 2020 van de voorzitter van het NAI aan de raadslieden en de deskundigen: "4. Dan volgt de tweede mondelinge behandeling, in aanwezigheid van de deskundigen. Tijdens deze behandeling kunnen partijen (onder meer) reageren op de memorie na deskundigenbericht van de wederpartij. 5. De arbiters wijzen daarna het volgende vonnis."
De e-mail van 24 april 2020 van de voorzitter van het NAI aan de raadslieden: "6. MP-ROSI heeft gevraagd om een agenda voor de zitting. Arbiters geven hieraan geen gehoor. Uit de vraagstelling van hen aan de deskundigen en de rapportage van de deskundigen, met inbegrip van het daarna gevoerde partijdebat, blijkt in afdoende mate wat in dit stadium van de procedure de resterende kernpunten zijn."
De gang van zaken en de procesafspraak tijdens de zitting van 15 mei 2020; inhoudelijk gaat het tijdens de zitting vrijwel volledig over de bevindingen van de deskundigen; de voorzitter stelt voor door te pakken: “Het ging mij hierom dat het denk ik voor de partijen veel waard is als wij na deze zitting tot een eindvonnis kunnen komen op alle onderdelen en dan formuleer ik de vraag iets anders dan zo net, als het gaat over relatief kleine punten dus niet als het over de hoofpunten gaat, maar als het om relatief kleine punten gaat kunnen partijen er dan mee instemmen dat wij tot een eindoordeel komen over die kleinere punten op basis van het dossier zoals dat tot nu toe ligt en in elk geval daarover niet bijvoorbeeld een nader deskundigenbericht inwinnen of getuigenverhoren of een heropening van het debat (…). De voorzitter noemt “als voorbeeld de loopplank." Met dat geschilpunt was een belang van € 25.000,- gemoeid.
5.21 Gelet op deze uitlatingen van arbiters was het redelijkerwijs niet voorzienbaar (en behoefde een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat dus niet te voorzien) dat arbiters direct zouden oordelen op onderdelen van het geschil die tot dan toe onderbelicht waren gebleven, en dus andere dan “relatief kleine punten” zouden afdoen op schending van de stelplicht zonder nadere gelegenheid tot onderbouwing en/of bewijslevering. Dat het bij de aanvullende schadevergoeding (ruim 4 ton) niet ging om een relatief klein punt kan in redelijkheid niet ter discussie staan. In deze omstandigheden mocht een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat daarom aannemen dat er tot en met de zitting van 15 mei 2020 geen noodzaak was om de onderhavige schadeposten nader te onderbouwen.
5.22 Hierbij komt nog dat Kneppelhout wel concreet is ingegaan op de gebreken als zodanig (die aan de schadeposten ten grondslag lagen), zowel in de pleitnota van januari 2019 als in de pleitnota van mei 2020. De gebreken als zodanig hadden arbiters dus wel kunnen beoordelen. In het eindvonnis hebben arbiters overwogen dat voor de overige gebreken (anders dan de zeewaardigheid) geen bewijs is geleverd en dat het deskundigenrapport daarvoor ook geen aanwijzingen biedt. Dit laatste is een oordeel waarop Kneppelhout niet bedacht hoefde te zijn: de hier bedoelde gebreken waren niet aan de deskundigen voorgelegd, dus was het logisch dat de deskundigen daarop niet zijn ingegaan. Kneppelhout had er ook daarom redelijkerwijs op kunnen rekenen dat arbiters die gebreken zouden beoordelen of bewijslevering zouden toestaan.
Verwijt 2: onvoldoende onderbouwing van de inruilwaarde van Jacht 1
5.23 MP-Rosi verwijt Kneppelhout dat zij onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht, voorzien van onderbouwende stukken, dat de inruilwaarde van Jacht 1 ongeveer 3 ton hoger was dan vermeld in een door MP-Rosi ondertekende order confirmation. Hierover hadden arbiters in het tussenvonnis een voor MP-Rosi nadelig voorlopig oordeel gegeven. Desondanks heeft Kneppelhout niet bij MP-Rosi aangedrongen op onderbouwing met stukken van deze stelling. Vlak voor de zitting van mei 2020 kwam Linssen met aanvullende stukken, waarna MP-Rosi aan Kneppelhout een offerte stuurde waarop een hoger bedrag stond. Ook toen heeft Kneppelhout geen stukken overgelegd. Zij had dat moeten doen, ook al was de termijn voor het overleggen van stukken inmiddels verstreken.
5.24 De rechtbank verwerpt dit standpunt en licht dit als volgt toe.
5.25 In het tussenvonnis van februari 2019 hebben arbiters uitdrukkelijk overwogen dat MP-Rosi in een later stadium gelegenheid kreeg om op het voorlopige oordeel over dit punt te reageren. Die gelegenheid hebben arbiters niet gegeven. Uitlatingen van arbiters daarna wezen er eerder op dat dat ‘latere stadium’ nog niet was bereikt, omdat het eerst over de onderwerpen moest gaan waarop het deskundigenonderzoek betrekking had. Kneppelhout mocht er daarom vanuit gaan dat die gelegenheid nog geboden zou worden. De ter zitting van 15 mei 2020 gemaakte procesafspraken doen hier niet aan af, omdat ook op dit punt redelijkerwijs niet van een “relatief klein punt” gesproken kan worden.
5.26 Onjuist is het standpunt van MP-Rosi dat Kneppelhout de vlak voor de zitting van MP-Rosi ontvangen stukken had moeten overleggen, ook al was de termijn daarvoor inmiddels verstreken. Dat een advocaat zich houdt aan de geldende procedureregels kan bezwaarlijk als beroepsfout worden gezien. Dat er ook advocaten zijn die zich daar niets van aantrekken en daar soms ook mee wegkomen, is geen reden om een advocaat op zijn behoorlijke gedrag af te rekenen.
Verwijt 3: onvoldoende verweer inzake bepleite afschrijving op de waarde van Jacht 3
5.27 MP-Rosi verwijt Kneppelhout dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat het betoog van Linssen ter zake van afschrijving op Jacht 3 geen hout snijdt. Kneppelhout had bezwaar ertegen moeten maken dat Linssen hiermee nog op de zitting van 15 mei 2020 kwam. Bovendien heeft Kneppelhout dit ter zitting niet inhoudelijk weersproken. Er was geen juridische grondslag voor het verdisconteren van afschrijving in het kader van de ongedaanmakingsverbintenis na ontbinding van een overeenkomst, omdat een dergelijke waardevergoeding alleen aan de orde is als de aard van de verbintenis maakt dat deze niet ongedaan gemaakt kan worden (artikel 6:272 BW).
5.28 De rechtbank volgt MP-Rosi hierin niet. Het gevolg van de door MP-Rosi gevorderde (en door arbiters uitgesproken) ontbinding van de koopovereenkomst inzake Jacht 3 was dat beide partijen gehouden waren de door hen ontvangen prestaties ongedaan te maken. In dat kader was MP-Rosi verplicht om een jacht met de waarde op het moment van de levering terug te geven. Dat kon niet meer: door het tijdsverloop en het gebruik was het jacht in waarde verminderd. De afschrijving, die in mindering strekt op de door Linssen terug te geven koopprijs, is een redelijke vergoeding voor de waardevermindering.
5.29 De vraag is dan vervolgens nog of Kneppelhout voldoende heeft gereageerd op het betoog inzake afschrijving. Dat is het geval. Kneppelhout is ter zitting van 15 mei 2020 ingegaan op het punt van de afschrijvingen, onder meer door te wijzen op informatie daaromtrent van de website van Linssen. Daarmee heeft Kneppelhout als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat dit punt voldoende aandacht gegeven.
Verwijt 4: ten onrechte geen transport-, verzekerings-, stallings- en nakosten gevorderd
5.30 MP-Rosi verwijt Kneppelhout dat zij in de arbitrale procedure geen vergoeding heeft gevorderd van deze kosten. Het gaat hier om kosten die zich bij de uitvoering van de ongedaanmakingsverbintenissen – gegeven de ontbinding van de overeenkomst – hebben gerealiseerd. Dit terwijl Kneppelhout in het voortraject wel had onderkend dat Linssen, indien het jacht in Maasbracht zou moeten worden teruggegeven, de kosten van het transport zou moeten vergoeden. Van Kneppelhout mocht dus worden verwacht vergoeding van deze kosten te vorderen.
5.31 Ook dit verwijt treft geen doel, omdat Kneppelhout er geen rekening mee hoefde te houden dat direct al eindvonnis zou worden gewezen. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de eerste twee verwijten.
Verwijt 5 en 7: compensatie proceskosten vanwege verzuim Kneppelhout
5.32 Volgens MP-Rosi heeft Kneppelhout ten onrechte de eis niet verminderd ter zake van de kosten van de Gangway, hoewel bij bezoek aan het jacht bleek dat die Gangway er in het geheel niet was. Door die eis in zoverre niet te verminderen, is onnodig een groter deel van de vordering afgewezen, waardoor arbiters reden zagen om de proceskosten te compenseren. Zou Kneppelhout de eis wel hebben verminderd, dan was het afgewezen deel van de geldvordering kleiner en zouden de proceskosten niet zijn gecompenseerd, aldus MP-Rosi. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop de proceskosten zijn gevorderd. Deze zijn gevorderd als deel van de aanvullende schadevergoeding, terwijl deze eenvoudig onder de proceskosten hadden moeten worden opgevoerd. Als onderdeel van de aanvullende schadevergoeding is ook dit deel afgewezen, waardoor arbiters een extra argument in handen hadden om de proceskosten te compenseren. Zouden de proceskosten correct zijn gevorderd, dan zou een relatief groter deel van de geldvordering zijn toegewezen en zouden arbiters de proceskosten niet hebben gecompenseerd.
5.33 De rechtbank verwerpt dit betoog alleen al omdat het hoogst onaannemelijk is dat arbiters tot een andere beslissing zouden zijn gekomen omtrent de proceskosten als was gehandeld zoals MP-Rosi bepleit. Veruit het grootste deel van de afgewezen geldvordering hield verband met de waarde van Jacht 1 en de afschrijving op Jacht 3 en daarnaast met posten van de aanvullende schadevergoeding ten aanzien waarvan MP-Rosi geen verwijt aan Kneppelhout maakt. Het ligt dus zeker niet voor de hand dat het (vermeende onjuiste) handelen van Kneppelhout op de onderhavige punten heeft geleid tot de gewraakte compensatie van proceskosten, zodat van schade als gevolg van dat handelen geen sprake is. Het betoog van MP-Rosi is met grote stelligheid gebracht, maar is in wezen zeer speculatief. MP-Rosi heeft dit gebrek niet geheeld door alsnog met concrete feiten te komen om haar betoog ondersteunen. Hierop stuit het betoog van MP-Rosi al af. Of Kneppelhout op dit punt anders had moeten handelen, laat de rechtbank daarom in het midden.
Verwijt 6: onjuiste ingangsdatum wettelijke rente
5.34 Volgens MP-Rosi had Kneppelhout moeten kiezen voor buitengerechtelijke ontbinding in plaats van (slechts) gerechtelijke ontbinding. Indien was gekozen voor buitengerechtelijke ontbinding, zou op dat moment al een ongedaanmakingsverbintenis voor Linssen tot terugbetaling van de koopsom ontstaan. Met de nakoming van die verbintenis zou Linssen in verzuim geraken als zij niet spoedig tot terugbetaling zou overgaan. Dan zou vanaf dat moment (2018) al de wettelijke rente zijn gaan lopen, en niet pas na het arbitraal vonnis in 2020.
5.35 Met Kneppelhout is de rechtbank van oordeel dat dit een in hoge mate theoretisch betoog is, dat geen recht doet aan de werkelijkheid van destijds. Als (Kneppelhout namens) MP-Rosi destijds de overeenkomst buitengerechtelijk zou hebben ontbonden, dan ligt zeer voor de hand dat Linssen de nakoming van haar verbintenis tot terugbetaling van de koopsom zou hebben opgeschort zolang MP-Rosi het jacht niet aan Linssen zou hebben teruggegeven. MP-Rosi op haar beurt zou het jacht niet hebben teruggegeven als zij niet betaling ontving van het (volle) bedrag waarop zij in het kader van de ongedaanmaking recht meende te hebben. Gelet op haar opvattingen over die terug te ontvangen koopsom, moet aangenomen worden dat zij nooit – zonder arbitrale beslissing – genoegen zou hebben genomen met een veel lagere vergoeding. MP-Rosi heeft geen feiten gesteld die hierop een ander licht werpen. Dit betekent dat Linssen zich rechtsgeldig op opschorting kon beroepen en dus niet eerder in verzuim zou zijn geraakt. Een eerdere ingangsdatum van de wettelijke rente zou dus ook bij buitengerechtelijke ontbinding niet zijn gerealiseerd. Waar hoogst onaannemelijk is dat een – in theorie – gunstig scenario voor de cliënt in de praktijk enig effect zal hebben, levert het achterwege laten van dat scenario of zelfs maar het adviseren daarvan geen beroepsfout op.
Verwijt 8: geen advies tot instellen vernietigingsvordering
5.36 MP-Rosi verwijt Kneppelhout dat zij ten onrechte niet heeft geadviseerd een vernietigingsvordering tegen het arbitrale eindvonnis in te stellen. Zij legt aan dit verwijt ten grondslag dat, als het zo is dat arbiters een beslissing hebben genomen waarop Kneppelhout als advocaat niet bedacht behoefde te zijn, in dat geval sprake was van een arbitraal vonnis dat vatbaar was voor vernietiging. Kneppelhout had dan na ontvangst van het arbitraal vonnis moeten adviseren een vernietigingsprocedure op te starten. Dat advies heeft zij ten onrechte niet gegeven.
5.37 De rechtbank oordeelt als volgt. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat Kneppelhout ten onrechte niet heeft geadviseerd om een vernietigingsprocedure te beginnen, heeft dat niet tot schade geleid. Het eindvonnis dateert van 23 juni 2020. MP-Rosi had drie maanden (dus tot 23 september 2020) de tijd om een vordering tot vernietiging aanhangig te maken (artikel 1064a Rv). Op 20 juli 2020 heeft MP-Rosi de opdrachtovereenkomst met Kneppelhout beëindigd, waarna vanaf augustus 2020 Boonk Van Leeuwen Advocaten als nieuwe advocaat met het dossier is bezig geweest. Vanaf 20 juli 2020 was Kneppelhout dus niet meer in de positie om MP-Rosi te adviseren en werd MP-Rosi bijgestaan door Boonk Van Leeuwen Advocaten, dat geacht moet worden zelf ook tot het oordeel te hebben kunnen komen dat een vordering tot vernietiging moest worden ingesteld en daarvoor ook nog alle tijd had. Het achterwege blijven van die vordering kan in deze omstandigheden niet aan Kneppelhout worden toegerekend. Het is de eigen keuze geweest van MP-Rosi, waarbij zij zich mogelijk heeft laten leiden door Boonk Van Leeuwen Advocaten. In de verhouding tot Kneppelhout betekent dit dat deze keuze volledig in de risicosfeer van MP-Rosi zelf ligt.
Conclusie
5.38 Ook wanneer het beroep op het vervalbeding niet door de rechtbank zou worden gehonoreerd, zouden de vorderingen van MP-Rosi moeten worden afgewezen.
Proceskosten
5.39 MP-Rosi is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Kneppelhout worden begroot op:
- griffierecht € 10.188,00
- salaris advocaat € 13.893,00 (3 punten × € 4.631,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 24.270,00
6 De beslissing
De rechtbank
6.1 wijst de vorderingen van MP-Rosi af,
6.2 veroordeelt MP-Rosi in de proceskosten van € 24.270,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als MP-Rosi niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, mr. K.A. Baggerman en mr. S.V. Hardonk en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
[2111/1980/2537/3407]