Rb. Rotterdam 14 oktober 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:13921
Kort geding - huurrecht - medehuurders - eiseres vraagt de kantonrechter voorlopig te bepalen dat zij met uitsluiting van gedaagde gerechtigd is tot het gebruik en het genot van de huurwoning - belangenafweging - toewijzing voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12379845 VV EXPL 26-556
datum uitspraak: 14 oktober 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.J. Glen-Boedhram,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.G.J. van Kerkhof.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1 De procedure
1.1 Het dossier bestaat uit de betekende dagvaarding van 30 september 2026 met bijlagen 1 t/m 14. Ter zitting heeft de gemachtigde van [eiseres] pleitnotities overgelegd.
1.2 Op 8 oktober 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren partijen aanwezig en de gemachtigden.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1 [gedaagde] en [eiseres] zijn op 8 februari 2024 gezamenlijk huurder geworden van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 1] (hierna: de woning). [eiseres] en [gedaagde] hadden op dat moment een relatie. Uit die relatie is op [geboortedatum] 2024 een dochter ( [naam dochter] ) geboren. In juli 2026 is de relatie tussen partijen geëindigd.
2.2 [gedaagde] woont op dit moment alleen in de woning. [eiseres] logeert momenteel met [naam dochter] bij haar oma in [plaats 2] . Volgens [eiseres] is die woonsituatie niet houdbaar, omdat de woning van de oma niet groot genoeg is om [eiseres] en [naam dochter] duurzaam te huisvesten. Haar oma wordt gekort op haar uitkering als deze situatie blijft voortduren. De woning van haar oma is bovendien een 55+ huurappartement waar geen kinderen mogen verblijven. Zij wil daarom samen met [naam dochter] in de woning gaan wonen en wenst dat [gedaagde] de woning verlaat. Zij eist in deze procedure dat de kantonrechter bepaalt dat zij bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik en genot van de woning. Zij eist verder dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt de woning geheel te ontruimen en alle bij de woning behorende sleutels bij [eiseres] in te leveren en [gedaagde] te bevelen dat hij zich vanaf het moment van ontruiming uitschrijft uit de Basisregistratie Personen (BRP) voor het adres van de woning.
2.3 [gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiseres] . [gedaagde] wil graag in de woning blijven wonen. Volgens hem is er geen spoedeisend belang bij de vordering en moet het mogelijk zijn om gezamenlijk in de woning te kunnen verblijven tot er definitieve afspraken zijn gemaakt. Daar komt bij dat hij geen op dit moment geen alternatieve woonruimte heeft. Voor het geval de vordering van [eiseres] toch wordt toegewezen, verzoekt [gedaagde] om een ontruimingstermijn van tenminste drie maanden.
2.4 De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. Dat betekent dat [gedaagde] de woning, in ieder geval voorlopig, moet verlaten. Wel stelt de kantonrechter de datum van waarop [gedaagde] de woning moet hebben ontruimd in redelijkheid vast op 1 december 2026. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Er is een spoedeisend belang
2.5 Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen.
2.6 Volgens [eiseres] is er sprake van een spoedeisend belang, omdat samenwonen voor partijen niet meer mogelijk is. Er is een onhoudbare situatie tussen hen ontstaan. Ook is een langer verblijf bij haar oma niet mogelijk. De woning is een 55+ appartement, waar geen kinderen mogen verblijven. Daarnaast is het verblijf van [eiseres] met [naam dochter] belastend voor de gezondheid en het eigen leven van haar oma en zal zij worden gekort op haar uitkering als de situatie blijft voortduren. [gedaagde] verklaart daarentegen dat het mogelijk zou moeten zijn dat partijen gezamenlijk in de woning verblijven. Volgens [eiseres] is hiertoe al een poging gedaan, maar hebben zich in die periode meerdere incidenten voorgedaan, in aanwezigheid van [naam dochter] , waardoor [eiseres] zich niet meer veilig voelt als zij samen met [gedaagde] in de woning verblijft.
2.7 Tijdens de mondelinge behandeling is de kantonrechter duidelijk geworden dat de situatie dermate dringend is, dat van [eiseres] niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht. [eiseres] heeft daarom een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.
Het toetsingskader
2.8 De kantonrechter zal beoordelen welke partij, met uitsluiting van de ander, mag blijven wonen in de woning. Omdat dit een kort geding is, is dit een voorlopige beoordeling. De kantonrechter zal in de bodemprocedure uiteindelijk beslissen over de vraag welke partij de huurovereenkomst ten aanzien van de woning mag voortzetten.
2.9 Bij de beoordeling in dit kort geding komt het aan op een belangenafweging. Op grond van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moeten de belangen van het kind in een zaak als deze de eerste overweging vormen. Daarnaast spelen de belangen van partijen een rol.
Het uitsluitend gebruik van de woning
2.10 Aangenomen kan worden dat [naam dochter] het meeste baat heeft bij een stabiele thuissituatie, in de eigen omgeving en zonder dat zij de dupe wordt van spanningen tussen de beide ouders. Bij dagvaarding is onweersproken gesteld dat [eiseres] in overwegende mate de zorg voor [naam dochter] heeft. Er is niet gesteld of gebleken dat het een reële optie zou zijn dat de rollen worden omgedraaid en dat [gedaagde] het grootste deel van de tijd voor [naam dochter] zou gaan zorgen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [naam dochter] ook in de toekomst grotendeels bij [eiseres] zal blijven wonen. Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid van ‘birdnesting’, waarbij partijen afwisselend bij [naam dochter] in de woning verblijven totdat een van hen een andere woning heeft gevonden, besproken, maar het is gebleken dat dat op gegronde bezwaren van de kant van [eiseres] stuit en dat dat daarom geen optie is.
2.11 [eiseres] heeft aannemelijk gemaakt dat een langdurig voortgezet verblijf van [naam dochter] en haar in de woning van oma niet mogelijk, of in ieder geval niet wenselijk, is, gelet op de aard en omvang van de woning en het feit dat oma daardoor overbelast wordt. Haar vertrouwde woonomgeving en haar sociale basis bevinden zich in (de buurt van) de woning in Rotterdam. Het is niet gesteld of gebleken dat [eiseres] op korte termijn andere passende woonruimte voor zichzelf en [naam dochter] zou kunnen vinden, in de regio Rotterdam of elders. Het belang van [naam dochter] brengt daarom met zich mee dat [eiseres] , in ieder geval voorlopig, het uitsluitende gebruik van de woning krijgt. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat als [gedaagde] (tijdelijk) verhuist, de reistijd onderling waarschijnlijk zal verminderen ten opzichte van de huidige situatie (in ieder geval als hij bij zijn ouders in Antwerpen of zijn broer in Rotterdam gaat wonen). Dit is minder belastend voor [naam dochter] , die tijdens contactmomenten heen en weer reist tussen beide ouders. Verder weegt de kantonrechter mee dat de woning door de verhuurder in eerste instantie aan [eiseres] te huur is aangeboden en dat [gedaagde] op dat moment geen positieve verhuurdersverklaring kon overleggen vanwege een forse huurachterstand. Zonder de inspanningen van [eiseres] zou [gedaagde] dus hoogstwaarschijnlijk niet als huurder zijn geaccepteerd. Ook acht de kantonrechter het op dit moment onzeker of [gedaagde] de maandelijkse vaste (woon)lasten die bij de woning horen wel kan betalen. Hij heeft weliswaar gezegd dat hij het kan, maar ook is gebleken dat [gedaagde] op dit moment schulden heeft waardoor het onzeker is of hij de woonlasten daadwerkelijk kan betalen. Als het huurrecht aan hem zou worden toegewezen, dan zou dus een gerede kans bestaan dat de huurovereenkomst op termijn vanwege een huurachterstand zou worden ontbonden. Dit alles afwegende weegt het belang van [gedaagde] om in de woning te kunnen blijven en om niet tijdelijk onderdak elders te hoeven zoeken naar het oordeel van de kantonrechter niet op tegen de hiervoor genoemde belangen van [naam dochter] en [eiseres] .
2.12 De kantonrechter zal daarom het voorlopig gebruik van de woning toewijzen aan [eiseres] , met uitsluiting van [gedaagde] . De ingangsdatum en de datum waartegen [gedaagde] de woning uiterlijk ontruimd moet hebben wordt in redelijkheid vastgesteld op 1 december 2026. Zo heeft [gedaagde] enige tijd om elders een tijdelijk verblijf te zoeken.
[gedaagde] moet bij de gemeente aangifte doen van adreswijziging of vertrek
2.13 [eiseres] eist dat [gedaagde] zal worden bevolen zich vanaf het moment van de feitelijke ontruiming uit te schrijven voor de BRP voor het adres van de woning. Op grond van de Wet basisregistratie personen moet [gedaagde] als hij de woning ontruimt schriftelijk aangifte doen van het wijzigen van zijn adres (artikel 2.39 lid 1) of, als hij voor langere tijd naar het buitenland verhuist, van vertrek (artikel 2.43 lid 1). [eiseres] heeft er belang bij dat hij dat doet, omdat zij dan de voor haar geldende toeslagen aan kan vragen. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter [gedaagde] veroordelen tot het doen van aangifte van adreswijziging of vertrek.
Tijdelijke maatregel
2.14 De kantonrechter wijst erop dat het hier om een tijdelijke maatregel gaat. [gedaagde] is dus nog steeds medehuurder van de woning en de uitsluiting van [gedaagde] tot de woning geldt slechts tot het moment dat een bodemrechter over de vordering met betrekking tot het huurrecht heeft beslist. De kantonrechter zal daarom bepalen dat [eiseres] binnen twee weken na de datum van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig moet maken.
De proceskosten worden gecompenseerd
2.15 Gelet op de relatie die tussen partijen bestaan heeft zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.16 Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. De grond hiervoor is dat het belang van [eiseres] en [naam dochter] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep niet af te hoeven wachten zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om gedurende die tijd in de woning te kunnen blijven; de kantonrechter verwijst in dit verband naar de overwegingen onder 2.10 en 2.11.
3 De beslissing
De kantonrechter:
3.1 bepaalt dat [eiseres] vanaf 1 december 2026 gerechtigd is tot het gebruik en genot van de huurwoning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 1] met uitsluiting van [gedaagde] , totdat in een bodemprocedure is besloten wie van partijen de woning definitief mag blijven huren, onder de voorwaarde dat die bodemprocedure uiterlijk op 11 november 2026 aanhangig is gemaakt door middel van het uitbrengen van een dagvaarding door [eiseres] aan [gedaagde] ;
3.2 veroordeelt [gedaagde] om voor 1 december 2026 de woning te ontruimen en met al de zijnen en het zijne te verlaten en de sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.3 beveelt [gedaagde] om uiterlijk op 1 december 2026 aangifte te doen van adreswijziging of vertrek, als bedoeld in, respectievelijk, artikelen 2.39 en 2.43 van de Wet basisregistratie personen;
3.4 compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6 wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
67981