Rb. Rotterdam 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:13487
Varia, urgentieverklaring op grond van de medische noodzaak
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7467
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring. Volgens het college voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2 De vrouw van eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring vanwege de medische noodzaak. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 8 oktober 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2 De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3 Eiser woont in een huurwoning aan de [straatnaam] te [locatie] (de woning). Hij heeft een aanvraag gedaan op grond van de urgentiegrond medische noodzaak vanwege de medische klachten van zijn vrouw, [naam vrouw] ([naam vrouw]). Zij heeft rug- en nekklachten en een hernia. De woning is erg klein waardoor [naam vrouw] fysieke en psychische klachten ervaart.
4 Op 5 september 2024 heeft de arts van het team Sociaal Medische Advisering (arts SMA) een advies uitgebracht over de situatie van [naam vrouw] en geadviseerd dat er geen medische noodzaak is om een urgentieverklaring toe te kennen. Het college heeft op basis van dit advies de aanvraag afgewezen met het primaire besluit.
5 Eiser heeft op 20 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Volgens hem is er wel een medische noodzaak om een urgentieverklaring toe te kennen. Hij heeft aanvullende medische informatie overgelegd. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en is het college bij zijn besluit gebleven.
Heeft het college de aanvraag terecht afgewezen?
6 Eiser voert aan dat het college ten onrechte de urgentieverklaring heeft afgewezen op de grond dat er geen sprake is van medische noodzaak. Volgens eiser is het onderzoek van het college onvolledig geweest. Er wordt enkel verwezen naar het advies van de arts SMA zonder dat het college zelf nader onderzoek heeft gedaan. Er had een nieuw medisch onderzoek moeten plaatsvinden naar aanleiding van de door hem overgelegde medische verklaring van de huisarts en de specialist van [naam vrouw]. Het college heeft deze stukken ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming in bezwaar. Eiser stelt dat uit de medische stukken blijkt dat de woning duurzaam ongeschikt is voor [naam vrouw]. Om de woning te betreden of de veranda te bereiken moet een trap van drie hoge treden worden gebruikt, dit is gezien haar huidige medische situatie niet mogelijk.
6.1 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:416, volgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
6.2 De rechtbank volgt eiser niet in zijn beroepsgronden. Uit het in het bestreden besluit weergegeven verslag van de hoorzitting blijkt dat het college de aanvullende medische informatie heeft voorgelegd aan de arts SMA en dat deze heeft verklaard dat de aanvullende medische informatie geen aanleiding geeft om urgentie te verlenen op medische grond. Dat dit in het bestreden besluit verder niet expliciet wordt besproken maakt niet dat het college de informatie niet heeft meegewogen. De reactie van de arts SMA is weliswaar summier, maar in het advies van 5 september 2024 heeft de arts SMA op concrete en begrijpelijke wijze uiteengezet hoe het advies tot stand is gekomen, welke omstandigheden en stukken zijn meegewogen en hoe hij tot de conclusie is gekomen. Niet gesteld of gebleken is dat de arts SMA niet alle relevante informatie heeft betrokken bij zijn advies. De conclusies van de arts zijn voldoende inzichtelijk. De verklaring van de huisarts van [naam vrouw] van 1 augustus 2025 bevat geen andere informatie dan de verklaring van de huisarts van 16 juni 2024, die de arts SMA in het advies van 5 september 2024 heeft meegenomen. Eiser heeft in beroep onvoldoende concrete aanknopingspunten naar voren gebracht om twijfel te doen ontstaan over het advies van de arts SMA. Hij heeft ook geen medisch stuk overgelegd om de inhoud ervan te betwisten. Het voorgaande maakt dat het college niet gehouden was om een aanvullend medisch onderzoek te laten plaatsvinden. De aanvullende medische stukken geven onvoldoende twijfel aan het oorspronkelijke advies om het college te noodzaken een nieuw onderzoek te laten plaatsvinden. Uit de medische informatie blijkt niet dat de woning niet passend is vanwege haar medische problematiek. De rechtbank kan zich vinden in het advies van de arts SMA. Het college heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen.
Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen?
7. Eiser voert aan dat de uitkomst van het besluit niet evenredig is in verhouding tot de ernst van de situatie. [naam vrouw] leeft dagelijks in een woning die haar gezondheid verder onder druk zet en waar zij niet zelfstandig kan functioneren. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser als een beroep op de hardheidsclausule.
7.1 Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat in het geval van [naam vrouw] geen aanleiding bestond om op grond van de hardheidsclausule alsnog een urgentieverklaring te verlenen. Voor het toepassen van de hardheidsclausule moet sprake zijn van een schrijnende situatie of van bijzondere, bij het vaststellen van de Verordening onvoorziene, omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de (medische) omstandigheden voor [naam vrouw] zodanig schrijnend of bijzonder zijn dat het college gehouden was om de hardheidsclausule toe te passen.
7.2 Gelet op het bovenstaande heeft het college de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
8 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen urgentieverklaring krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.