Rb. Rotterdam 10 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:12594
Mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter. Afwijzing verzoek om voorlopende voorziening hangende bezwaar. Overtreding van de specifieke zorgplicht van artikel 3.5 in samenhang met de artikelen 3.8, 3.9 en 3.10 van het Bbl, gelet op de verslechterde staat van de loodsen. Het college was bevoegd handhavend op te treden. De gemachtigde van het college heeft namens de burgemeester toegezegd dat het college bereid is de aan maatregelen 4, 5 en 6 gekoppelde begunstigingstermijnen te verlengen tot 1 oktober 2026. Verzoekster krijgt hierdoor de gelegenheid om de sloop uiterlijk vóór die datum af te ronden, waarmee in zoverre feitelijk aan het doel van de last onder dwangsom zou zijn voldaan. De voorzieningenrechter hoeft daarom geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel over maatregelen 4, 5 en 6 te geven. De voorzieningenrechter acht het opleggen van maatregelen 1, 2, 3 en 7 redelijk, mede in het licht van de belangen van de omgeving en voorbijgangers om te worden beschermd tegen instortingsgevaar van de loodsen. Aan deze belangen mocht het college een doorslaggevend gewicht toekennen.
De uitspraak op rechtspraak.nl