Rb. Rotterdam 23 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:12436

Voorlopige voorziening en beroep; toekenning leerlingenvervoer OV-abonnement; niet is gebleken dat aan de voorwaarden voor de toekenning van taxivervoer is voldaan; beroep ongegrond; verzoek afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/6925 en ROT 26/6926
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigden: mr. A Hielkema en [gemachtigde] ).

Samenvatting

1 Het college heeft aan de zoon van eiseres een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een abonnement voor het openbaar vervoer voor hem en een begeleider. Eiseres is het niet eens met deze toekenning. Zij heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat niet is gebleken dat aan de voorwaarden voor de toekenning van taxivervoer is voldaan. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer voor haar zoon. Het college heeft met het besluit van 2 juni 2026 (het primaire besluit) een abonnement voor het openbaar vervoer als vervoersvoorziening toegekend. Met het bestreden besluit van 27 juli 2026 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college bij deze toekenning gebleven. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld (ROT 26/6925) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (ROT 26/6926).

2.1 Eiseres en het college hebben nadere stukken ingediend.

2.2 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?

3 Eiseres heeft vier kinderen, waaronder zoon [zoon eiseres] (8 jaar). [zoon eiseres] gaat naar [onderwijsinstelling] . [zoon eiseres] heeft zware gedrags- en psychische problematiek. Voor het schooljaar 2025-2026 was aan [zoon eiseres] een vervoersvoorziening in de vorm van taxivervoer toegekend. Het college heeft voor het schooljaar 2026-2027 in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, besloten aan [zoon eiseres] een vervoersvoorziening in de vorm van een abonnement voor het openbaar vervoer voor hem en een begeleider toe te kennen. Het college legt hieraan een medisch onderzoek door de verzekeringsarts van 20 maart 2026 ten grondslag. De verzekeringsarts heeft in zijn medisch advies geconcludeerd dat [zoon eiseres] gebruik kan maken van het openbaar vervoer onder begeleiding.

4 Eiseres is het niet eens met het besluit van het college en betoogt dat het college ten onrechte geen taxivervoer voor haar zoon heeft toegekend. [zoon eiseres] heeft vanwege zijn zware gedrags- en psychische problematiek de structuur en veiligheid van leerlingenvervoer hard nodig. Het advies van de verzekeringsarts is onzorgvuldig en houdt geen rekening met de gezinssituatie. Daarnaast kan eiseres [zoon eiseres] niet begeleiden in het openbaar vervoer. De reistijd bedraagt 42 minuten heen en 42 minuten terug. Dit is logistiek voor eiseres niet uitvoerbaar, aangezien haar dochter naar de peuteropvang moet. Eiseres wenst met het verzoek om voorlopige voorziening te bereiken dat aan [zoon eiseres] een vervoersvoorziening in de vorm van taxivervoer wordt toegekend.

Heeft eiseres een spoedeisend belang?

5 Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.

5.1 Eiseres stelt dat het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk is, omdat [zoon eiseres] anders niet naar school kan. Op de zitting heeft eiseres bevestigd dat [zoon eiseres] op dit moment niet naar school gaat. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende spoedeisend belang om het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk te behandelen.
Kortsluiten
6. De voorzieningenrechter is tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat zij nu een oordeel kan geven in de beroepszaak. De voorzieningenrechter zal daarom beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening en in het beroep. Dit kan op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.
Wat zijn de regels?
7. In de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam (de Verordening) zijn de regels opgenomen die gaan over de toekenning van een vervoersvoorziening voor leerlingen. In de Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam 2022 (de Beleidsregels) zijn nadere regels opgenomen. In de bijlage bij deze uitspraak zijn de voor deze zaak relevante artikelen opgenomen.
Wat vindt de voorzieningenrechter van de zaak?
8. De voorzieningenrechter zal het beroep van eiseres ongegrond verklaren. Ook zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen. Zij overweegt daartoe als volgt.

8.1 Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter mag een bestuursorgaan het advies van een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige betrekken bij de beoordeling van een aanvraag, indien het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

8.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de totstandkoming en juistheid van het medisch advies van 20 maart 2026. [zoon eiseres] is op het spreekuur gezien door de verzekeringsarts waarbij onder andere een anamnese, gericht lichamelijk onderzoek en een oriënterend psychologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft vervolgens vastgesteld dat [zoon eiseres] weliswaar beperkingen ondervindt ten aanzien van concentratie, prikkelverwering en gedrag, maar dat [zoon eiseres] wel gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Op 11 september 2026 heeft de verzekeringsarts tweemaal een nadere toelichting gegeven ten behoeve van de voorlopige voorzieningenprocedure. De verzekeringsarts heeft daarbij aangegeven dat de begeleider [zoon eiseres] in het openbaar vervoer kan afschermen van de omgeving. Ook zou [zoon eiseres] zich kunnen afschermen van de omgeving door middel van oortjes of door een filmpje te kijken. Daarbij heeft de verzekeringsarts meegewogen dat reizen met kleinschalig collectief leerlingenvervoer (tot acht leerlingen) zonder begeleiding veelal leidt tot meer prikkels dan reizen met het openbaar vervoer met een begeleider. De verzekeringsarts heeft ook gereageerd op de medische stukken die eiseres heeft ingebracht. Die informatie zijn voor de verzekeringsarts geen aanleiding om zijn advies te herzien. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich heeft mogen baseren op het advies van de verzekeringsarts. Hoewel niet in geschil is dat [zoon eiseres] beperkingen ondervindt, heeft eiseres geen medische stukken overgelegd waarmee de conclusie van de verzekeringsarts wordt weersproken of waaruit blijkt dat reizen met het openbaar vervoer te prikkelgevoelig is voor [zoon eiseres] .

8.3 Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat het voor haar praktisch niet te doen is om [zoon eiseres] naar school te begeleiden, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Een vervoersvoorziening in de vorm van taxivervoer kan worden toegekend als ouders hebben aangetoond dat zij hun kind niet naar school kunnen brengen of dat het brengen van het kind tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. In de Beleidsregels heeft het college nadere regels opgesteld over wanneer sprake is van een ernstige benadeling van het gezin. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in de praktische problemen komt als zij [zoon eiseres] naar school met begeleiden. Zij heeft namelijk ook een driejarig kind dat naar de peuteropvang moet, of eiseres moet haar driejarige kind meenemen in het openbaar vervoer als zij [zoon eiseres] haalt en brengt. Hierdoor zal een chaotische situatie ontstaan. De voorzieningenrechter overweegt dat niet is gebleken dat deze situatie van eiseres op dit moment overeenkomt met een situatie zoals die beschreven is in de Beleidsregels. Het standpunt van eiseres dat [zoon eiseres] taxivervoer dient te krijgen omdat er praktische bezwaren bestaan tegen het reizen met het openbaar vervoer, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus niet slagen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat op de zitting is besproken dat dit in januari 2027 mogelijk anders kan zijn als het driejarige kind van eiseres naar school gaat. Wanneer eiseres op dat moment een nieuwe aanvraag doet, zal het college de aanvraag in het licht van de nieuwe situatie kunnen beoordelen.

8.4 De omstandigheid dat [zoon eiseres] eerder wel een vervoersvoorziening in de vorm van taxivervoer heeft gekregen, maakt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Op de zitting heeft het college verteld dat kinderen die 9 jaar worden en gebruik maken van een vervoersvoorziening worden opgeroepen voor een medisch onderzoek. Voorheen gebeurde dit niet (altijd). Het college heeft recent haar werkwijze hierin aangepast. Dat is de reden dat [zoon eiseres] is opgeroepen voor een medisch onderzoek, terwijl hij eerder wel in aanmerking kwam voor taxivervoer. De voorzieningenrechter kan het college hierin volgen.

Conclusie en gevolgen

9 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [zoon eiseres] geen recht heeft op een vervoersvoorziening in de vorm van taxivervoer. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam

Artikel 19 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als:

a. aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in de artikelen 17 of 18 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

b. aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in de artikelen 17 of 18 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;

c. aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 18 en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of

d. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken.

Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam 2022

Artikel 4. Ernstige benadeling van het gezin

1 Van ernstige benadeling van het gezin als gevolg van begeleiding van de leerling bij gebruikmaking van openbaar vervoer, als bedoeld in artikel 19, aanhef en onder c, van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam is in ieder geval sprake, indien de leerling een speciale school voor basisonderwijs dan wel een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt en:

a. van het eenoudergezin daarnaast ten minste één kind deel uitmaakt dat een andere school bezoekt en dat naar het oordeel van het college, mede op grond van een advies van deskundigen dat naar het oordeel van het college voor de aanvraag relevant is, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken, op voorwaarde dat de ouder aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn de kinderen naar de verschillende scholen te begeleiden en dat geen beroep kan worden gedaan op een ander om de begeleiding van de leerling, of het andere kind dan wel de andere kinderen van het eenoudergezin, op zich te nemen, dan wel;

b. van het eenoudergezin daarnaast ten minste twee nog niet-schoolgaande kinderen deel uitmaken, op voorwaarde dat de ouder aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn de leerling naar de school te begeleiden en dat geen beroep kan worden gedaan op een ander om de begeleiding van de leerling, dan wel de verzorging van de nog niet-schoolgaande kinderen, op zich te nemen, dan wel;

[…]

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken